De Kaapverdische zangeres Carmen Souza heeft het allemaal: ijzersterk repertoire, een soepele en wendbare stem die moeiteloos door alle registers glijdt en een volkomen ontspannen podiumpresentatie. Bovendien swingt ze als de hel. Met enkele ontwapenende en geestige ontboezemingen over haar privéleven weet ze een zaal binnen de kortste keren om te toveren tot een intieme huiskamer. Gelukkig voor de gewone stervelingen in het publiek bleek halverwege haar eerste optreden in ons land – maandagavond in het Amsterdamse Bimhuis – dat er toch minstens een ding is dat ze niet kan: haar eigen gitaar stemmen. Daarvoor moet steun en toeverlaat Theo Pas’cal aandraven, die niet alleen Souza’s vaste begeleider en bassist is, maar tevens componist en arrangeur van haar muziek.
Of ze nu een klaaglijke morna (de Kaapverdische variant van de blues) zingt of een uitgelaten batuco, telkens weer overtuigt Souza met haar jazzy timing en indrukwekkende vermogen om zelfs binnen de hoogste en laagste stemregisters nog verschillende kleurnuances aan de brengen. Het ene moment lijkt ze weggelopen uit de pan-Afrikaanse begindagen van Zap Mama, het andere steekt ze wat bezwering en timbre betreft jazzdiva Cassandra Wilson naar de kroon. De bezetting van haar ensemble, dat naast bassist Pas’cal bestaat uit de Mozambikaans-Portugese percussionist Pedro Segundo en de Nigeriaans-Engelse pianist Jonathan Idiagbonya, helpt mee om de muziek met puntig en transparant samenspel voorzichtig los te zingen van de Kaapverdische traditie. Zelfs als ze vlak voor de pauze haar schatplichtigheid betoont met een lied dat bekend werd door de grote Cesaria Evora, krijgt dat toch weer onverbiddelijk haar eigen signatuur.
Carmen Souza. 13 oktober, Bimhuis, Amsterdam. Nog te zien op 16 november, Zuidpleintheater Rotterdam.