Joseph Roth.
Joseph Roth. © GETTY

Joseph Roth tekende verbijstering over Frankrijk op in superieure bundel

Boek (non-fictie) - Joseph Roth, In het land van de eeuwige zomer

De kern van Joseph Roths meesterlijke schrijverschap was geworteld in de journalistiek. Roths liefde voor Frankrijk, toont deze bundel, slaat al snel om in verbijstering.

In Nederland geniet Joseph Roth (1894-1939) voornamelijk faam als romancier - met Job en Radetzkymars als bekendste werken - maar dankzij de onvermoeibare vertaalster Els Snick is dat beeld aan het kantelen.

In 2014 stelde zij Hotelmens samen, in 2015 De blonde neger en andere portretten, vorig jaar kwam Joden op drift uit en zojuist verscheen In het land van de eeuwige zomer - Reportages uit Frankrijk. Meer nog dan zijn drie voorgangers laat In het land van de eeuwige zomer zien dat de kern van Roths schrijverschap in de journalistiek en niet in zijn fictie is geworteld.

Grauwe kindertijd

In het land van de eeuwige zomer - Reportages vanuit Frankrijk
Non-fictie
Joseph Roth
Uit het Duits vertaald door Els Snick.
Bas Lubberhuizen; 240 pagina's; euro 19,99.

Zelf vond Roth dat ook, blijkt uit een aan deze superieure bundel toegevoegde brief, in 1927 in Die Neue Bücherschau afgedrukt. Daarin neemt hij het op voor Emile Zola, die 'zo veel respect had voor de werkelijkheid' dat hij de grens tussen 'het alledaagse' en het 'hoogstaande' heeft opgeheven. Roths luie Duitse collega's zouden een voorbeeld aan hem moeten nemen. 'Zola was de eerste Europese schrijver die zijn inspiratie niet aan zijn schrijftafel vond, de eerste romancier die met een notitieblokje rondliep.'

In het land van de eeuwige zomer opent met 'De witte steden', een onvoltooid literair-journalistiek meesterwerk. 'Op mijn dertigste kreeg ik eindelijk de witte steden te zien waarvan ik als kind had gedroomd,' vangt Roth aan, na een korte uiteenzetting over spinnen, zijn lievelingsdieren. 'Ik had een grauwe kindertijd, die ik doorbracht in grauwe steden.'

'De witte steden' is gebaseerd op tien reportages die Roth in 1925 als sterverslaggever in Frankrijk voor de Frankfurter Zeitung schreef. Die tien reportages, vanuit Lyon, Vienne, Nîmes, Tournon, Marseille en Nice, beslaan het tweede deel. De fraaiste, ook voor andere bladen geschreven reportages - voornamelijk over Parijs - staan in het derde deel.

Aanvankelijk is Roth dol op Frankrijk. Voor hem is het 'de andere kant van de schutting', een land waar het leven hoogstaander is dan in de geborneerde Weimarrepubliek. 'Wie niet hier is geweest, is maar een half mens,' stelt Roth. 'Iedere willekeurige taxichauffeur is geestiger dan al onze schrijvers bij elkaar.'

Maar al in Vienne slaat zijn verwondering om in verbijstering, als hij een lege, in een oude burcht gevestigde gevangenis bezoekt. 'Er is alleen een gevangenisbewaker, die de gevangene is van zichzelf. Hij leidt een zinloos bestaan - als een sleutel die op geen enkele deur past, of als een deur zonder huis. Hij dwaalt door de gangen en zorgt dat hij niet ontsnapt.'

In Nîmes windt Roth zich op over het stierenvechten, de stier is 'een geslagen Jood'

Brok in de keel

Terug in Parijs wekken Amerikaanse toeristen Roths ergernis. Overal hoort hij 'dat nasale Engels'; de plaag verspreidt zich - ook toen al - per touringcar. 'Een 'guide' laat de bus af en toe stoppen en legt zijn slachtoffers iets uit waarop ze in koor met 'wooow!' reageren.'

Die toeristenbussen, ontdekt hij tot zijn schrik, rijden ook naar de Noord-Franse slagvelden, waar De Grote Brand nog ruikbaar is: 'Acht jaren van vrede hebben zich al uitgespreid over de velden van eer, de wereldoorlog is een beetje saai geworden, maar voor honderdtwintig frank nog altijd een voordelig uitstapje.'

In Nîmes windt Roth zich op over het stierenvechten. De toreador is 'een bang, laf, dapper, heroïsch burgermannetje', de stier 'een geslagen Jood uit het oosten'. Definitief verliest Frankrijk zijn onschuld wanneer Roth in Parijs op een door een circusdirecteur nagebootst Ceylon stuit; een tentoonstellingsdorp waar Senegalezen, Indiërs en Arabieren in primitieve hutten zichzelf moeten spelen.

Met een brok in mijn keel las ik 'Op een straathoek', op 1 maart 1939 in de Pariser Tageszeitung gepubliceerd. Het is een van Roths laatste teksten. Minder dan drie maanden later stierf hij, na in zijn stamkroeg van zijn kruk te zijn getuimeld, in een delirium tremens, vastgesnoerd op het bed van een Parijs' ziekenhuis.

Vanwege de politieke omstandigheden - als Jood kon hij geen kant meer op - zit hij, leunend op zijn 'vermoeide wandelstok', op zijn vaste plek in de taverne. Al dat reizen, concludeert hij, is nergens goed voor geweest. 'Wie koppig blijft zitten, ziet veel. En wie ergens aankomt en weer vertrekt: wat kan hij nou gezien hebben?'