Hoor
Peter Lier

Hoor

Fictie - Literatuur & Poëzie

Hoor

Ambitieuze kerstomaatjes en dichterlijke kropsla

'Schrijven is schrappen' luidt een gevleugelde uitspraak, toegeschreven aan Godfried Bomans, die je nog geregeld tegenkomt als advies aan beginnende auteurs. Misschien heeft dit de Antwerpse journalist Dimitri Antonissen (1974) op het idee gebracht voor Schrap me, zijn dichterlijk debuut 'waarvoor geen letter geschreven is'. De krantenpagina's die hij overdag met nieuws helpt vullen, maakt hij 's avonds met een dikke zwarte viltstift weer onleesbaar 'om er de poëzie uit te redden' - oftewel, om er enkele woorden, plaatjes of zinsflarden uit open te laten die tezamen montere mededelingen vormen als: 'De ambitie van/ kerstomaatjes en/ minislakropjes/ is groter dan / die van kool en peulvruchten// je herkent ze/ meteen/ altijd opvallen/ en hun eigen weg gaan.'
Dichterlijke kerstomaatjes en minislakropjes zijn het inderdaad, Antonissens innemende uitspaarsels, ingedeeld in krantenafdelingen als 'Faits Divers', 'Contactadvertenties', 'Televisie', 'Familieberichten' en 'Boekenbijlage'. Meer dan van hun inhoudelijke voedzaamheid, moeten ze het hebben van het fraaie beeld dat ze op de pagina vormen.
Als visuele poëzie krijgen ze een extra dimensie, zeker wanneer er nog iets zichtbaar is van de onderliggende krantenpagina, waarmee ze dan in gesprek raken. Een wonderlijk en vrolijk soort geboortes van het persoonlijke en subjectieve uit zogenaamde objectiviteit.
Iets soortgelijks als Dimitri Antonissen, maar ernstiger, lijkt Erik Lindner te proberen in zijn vierde bundel Terrein. Op onpersoonlijke plekken als een vliegveld in 'het noorden', de haven van Athene, een veldje bij een galerijflat of een parkeerterrein langs een drukke weg noteert hij zo precies mogelijk allerlei details die hem opvallen: 'Een man stapt over een hond./ Een vrouw wrijft gebogen over haar ooglid.// In een parapluwinkel valt een paraplu van de toonbank.'
Reeksen van onbetekenende en toevallige maar suggestieve voorvallen zijn deze gedichten op het eerste gezicht, ketens van op het nippertje uit de buitentaligheid geredde waarnemingsbeelden.
Soms leidt het notitieachtige tot iets te kaal gekeken formuleringen, maar om feeërieke woordcombinaties lijkt het Lindner niet te doen. De spanning zit hem in de zorgvuldige compositie van al die filmisch of fotografisch aandoende beelden, en in de welhaast muzikale manier waarop regelmatig dezelfde dingen opduiken: een paraplu, een bal, een raam dat gezeemd wordt, een boek in een vensterbank. Veel oog voor sierlijk in elkaar overgaande bewegingen is er ook: wind in vlaggen, omslaande golven, 'een tafel aan een takel draait rond en komt stil / een man loopt over het schip tegen de vaarrichting in'.
Bewegingen waarin de waarnemer lijkt op te willen gaan: 'alsof de wind en ik hetzelfde zijn'. Slechts hier en daar toont die waarnemer een glimp van zichzelf: 'ik sta op en kleed me als gisteren' of: 'maar mijn nagels groeien, mijn eelt'. De opdracht die hij zich stelt luidt dan ook 'Herstel wat veraf is. Onderdruk wat/ vooraan staat.'
Niet over de waarnemer gaat het dus, zijn gedachten en associaties, maar uitsluitend over wat hij ziet, wat hij daaruit kiest en hoe hij daarmee een nieuwe wereld opbouwt, een terrein afbakent dat hem bevat. Een fascinerend terrein, waar veel te zien is en waarover het aangenaam dwalen is. Hoe het allemaal in elkaar steekt en hoe je er moet lopen blijft nadrukkelijk geheim: 'een meisje vraagt je de weg/ vertel je die dan raak je haar kwijt.'
Waar Erik Lindner vooral zijn ogen de kost geeft, legt Peter van Lier in zijn vijfde bundel Hoor zijn oor te luister. 'De familie spreekt', 'Gevleugelde woorden', 'Van horen zeggen' heten de afdelingen. En in bijna elk gedicht staan curieuze zinnetjes tussen aanhalingstekens: 'Jij windbuil, ach sterf!', 'Wie klaagt er hier over pijntjes?'
Rond die toevallig opgevangen flarden van gesprekken bouwt Van Lier hele situaties. Uit kolderiek omslacht

ige volzinnen die zich in grillige hink-stap-sprongen over de pagina bewegen rijst een wereld vol hedendaagse lulligheid op: gezinstaferelen, een burenruzie, kantoorlol, een televisiequiz. Een quasi-idyllische wereld, opgedist in kleine verhaaltjes met mierzoete happy endings.
Maar aan alle kanten puilt het gevaar of de afschuw achter de woorden vandaan. Mensen die zich terugtrekken op een eiland van komische vaste gewoontes en dooddoeners om zich staande te houden bevolken deze gedichten.
Dat maakt de gedichten in Hoor grappig en tegelijk vaak tragisch of schrijnend. Zoals de schitterende hommage aan de motorfanaat en dichter Jan Hanlo: 'Geen/ vrouw, even een kind, geen/ dier als huisgenoot - wel motoren, bij voorkeur/ die/ met een zeer klein stuur; op de vraag hoe hard zoiets nu/ wel rijdt achteloos antwoorden: 'Met gemak/ 200.'
De taal blijkt vooral een bezweringsmiddel tegen de dreiging van zinloosheid, chaos en wanhoop. Wat tot in de vorm van de gedichten voelbaar is: die geestige lange Van Lier-zinnen, waaraan alles gelegen lijkt de boel in verband te houden en tot een goed einde te brengen.
Maar Hanlo reed zich wel te pletter uiteindelijk, hoe mooi en troostend die motoren van hem ook waren.
Schrap me, Terrein en Hoor - drie goeie bundels die toevallig tegelijkertijd verschenen en niets met elkaar te maken hebben. Maar die als je ze naast elkaar leest verrassend op elkaar inwerken, en aan het denken zetten over de manier waarop mensen met taal hun binnen- en buitenwereld verbinden.
* * *
Dimitri Antonissen: Schrap me - Stiftgedichten. Literair Productiehuis Wintertuin; 92 pagina's; € 17,50. ISBN 978 90 7957 106 2.
* * * *
Erik Lindner: Terrein. De Bezige Bij; 56 pagina's; € 15,-. ISBN 978 90 2345 454 0.
* * * *
Peter van Lier: Hoor. Van Oorschot; 64 pagina's; € 14,50. ISBN 978 90 2824 144 2.
Zinnen die vóór alles de boel in verband willen houden en tot een goed einde brengen
Uit Dimitri Antonissens Schrap me - Stiftgedichten.