Ouder en kind blijven vastgegroeid in hun oude rol
Ouder en kind blijven vastgegroeid in hun oude rol © HH

Vriendjes met de kids: voor veel babyboomers houdt het ouderschap maar niet op

Vroeger vroeg je je ouders niet op je feestje. Die kloof is weg. Is dat erg?

Voor een generatie ouders met volwassen kinderen houdt het ouderschap niet op. Zij blijven maar zorgen en geven. Anneke Groen en Herman Vuijsje schetsen dit emotionele mijnenveld - zeer leesbaar, zeer herkenbaar.

Eindeloos ouderschap - Zorgen voor je kinderen houdt nooit meer op

Anneke Groen en Herman Vuijsje
Non-fictie

Amsterdam University Press; 160 pagina's; €14,95.

Een jaar of achttien zou het duren. Twintig, hooguit. De dagelijkse zorg voor kinderen: voeden, aankleden, in slaap sussen, leren praten, lopen, fietsen en poepen op een mensen-wc. Franse woordjes overhoren, merkwaardige producten uitleggen. Juichen aan de rand van het sportveld. Nooit meer uitslapen. Eindeloze hoeveelheden liefde, troost en bemoediging schenken.

Maar op een zeker moment is het klaar. Het kind is af. Het woont op zichzelf, verdient de kost, het leeft zijn leven. Een oceaan van vrijheid strekt zich uit voor de vijftigers en zestigers. Eindelijk komen die weer aan hun eigen leven toe.

Maar zo is het niet voor de huidige generatie ouders met volwassen kinderen, constateren Anneke Groen en Herman Vuijsje. Zij zien, in hun eigen leven en dat van hun generatiegenoten, de babyboomers, een ouderschap dat nooit ophoudt. Tot hun zeventigste of later leven zij in innige verstrengeling met hun kinderen. Niet omdat die kinderen voor hén zorgen - of zij dat ooit zullen doen is zeer de vraag. Het zijn de oude ouders die maar blijven zorgen en geven, omdat de omstandigheden daarom vragen. Omdat ze vitaal en rijk genoeg zijn. Omdat hun kinderen dat vanzelfsprekend vinden.

Noodgedwongen blijven veel jongeren tegenwoordig lang rond moeders pappot hangen. Afgestudeerden hebben tijdelijke baantjes en kunnen zich geen eigen woning veroorloven. Hun relatie gaat uit, of ze verliezen hun werk en komen weer bij pa en ma wonen. Ook als ze wél een baan en een relatie hebben, is het handig dat ouders bijspringen, als oppas voor de kleinkinderen bijvoorbeeld. Of ze 'helpen' bij het kopen van een huis. Veel babyboomers hebben flink wat spaargeld en op de bank levert dat geen cent rente op.

Maar ja, zo raken ouder en kinderen nooit los van elkaar. Ze blijven vastgegroeid in hun oude rollen. Is dat erg? Wat zijn de gevolgen van die zeer hechte relatie? Wat is de oorzaak van die langdurige afhankelijkheid? En wat zijn de valkuilen?

Vertrekkend bij hun eigen ervaringen en observaties, zoeken Groen en Vuijsje naar antwoorden, in onderzoeksliteratuur, in interviews met ouders en volwassen kinderen en in gesprekken met deskundigen. Hun op aangename, soms licht spottende toon geschreven boek is een lange, zeer leesbare reportage, een fraai portret van twee generaties. Het graaft tegelijk dieper en is een heldere sociologische en psychologische analyse, zonder cijfers of tabellen.

Groen en Vuijsje, beiden kort na de Tweede Wereldoorlog geboren, behoren tot dat deel van hun generatie - het gold echt niet voor alle jongeren - dat ruim geprofiteerd heeft van de mogelijkheden van de jaren zestig en zeventig. Zodra het kon, verlieten ze het ouderlijk huis. Ook al hadden ze aardige ouders, er was een vanzelfsprekende kloof tussen de bezorgde, behoudende ouders, brave hardwerkende burgers en hun naar vrijheid snakkende kinderen. Ouders vroeg je niet op je feestje.

De wind mee

Ook als ze wél werk en een inkomen hebben, kunnen veel jongvolwassenen geen huis kopen

Deze jongeren hadden een eigen jeugdcultuur, mochten studeren, hingen jarenlang rond op de universiteit en betaalden nauwelijks collegegeld. Na die eindeloze studie kregen ze mooie banen en kochten ze woningen die krankzinnig in waarde zouden stijgen. Dankzij de pil kregen ze weinig kinderen. Vrouwen bleven niet langer thuis als ze moeder werden, zeker niet als ze interessant werk hadden. Ze hadden de wind mee. Zo transformeerden deze antimaterialistische, idealistische bloemenkinderen in well to do volwassenen. Ongemak daarover, schrijven Groen en Vuijsje, speelt mee bij de ijverige inzet van deze (groot)ouders.

Want, schrijven ze, 'opeens is de gedachte dat kinderen het verder schoppen dan jij niet meer zo vanzelfsprekend'. Ook al gaan kinderen van hoogopgeleiden vaak studeren, of ze een goede baan krijgen is onzeker; velen hoppen van flexbaantje naar freelance-opdracht. En ook als ze wél werk en een inkomen hebben, kunnen veel jongvolwassenen geen huis kopen, omdat de huizenprijzen zo hoog zijn, omdat ze geen vast contract hebben. Vrijesectorhuurwoningen zijn onbetaalbaar en voor een sociale huurwoning verdien je al snel te veel. Geen wonder dat ouders dat niet kunnen aanzien en bijspringen.

Voor al die belangeloze inspanning willen ouders ook wel eens een bedankje krijgen

Veel kinderen vinden die hulp vanzelfsprekend: hun ouders hébben dat geld toch? Ze beschikken toch over zeeën van tijd om op de kleinkinderen te passen? Kijk eens hoe dol ze op die kleintjes zijn, en zij op hen!

Ja, ze doen het met liefde. Maar voor al die belangeloze inspanning willen ouders ook wel eens een bedankje krijgen. 'Affectie is de smeerolie van het moderne omgangscontract', zeggen de auteurs. Vaak wordt dat contract ietwat eenzijdig nageleefd.

Sommige babyboom-ouders hebben iets goed te maken, ze voelen zich schuldig over de relationele puinhoop die ze van hun leven hebben gemaakt. Ze zien heus wel dat het hun nageslacht nooit aan iets heeft ontbroken. Ze werden vriendjes met hun kinderen. De wereld draaide om hen, de diep gewenste prinsen en prinsessen. Waarom zouden die nu ineens dankbaarheid moeten tonen? Aan de andere kant: wanneer houdt dit op? Mogen ouders ook eens nee zeggen? Groen en Vuijsje schetsen dit emotionele mijnenveld zeer herkenbaar, met warmte, humor én verstand.