Een verhaal met een angel
Dave Goulson

Een verhaal met een angel

Non-fictie

Een verhaal met een angel

Van de droeve lotgevallen van een goedmoedig volkje weet de Britse bioloog Dave Goulson een vrolijk stemmend verhaal te maken. Leve de hommel!

De Britse bioloog Dave Goulson doet al zijn hele professionele leven onderzoek naar hommels, maar strikt genomen begon hij daar al mee in zijn achtste levensjaar, toen hij zijn eerste, mislukte experiment deed. Na een zware regenbui besloot hij een aantal doorweekte, versufte hommels te drogen op de warme plaat van het elektrische fornuis in de keuken van zijn ouderlijk huis. De dieren verbrandden.

Een pijnlijke gebeurtenis, maar, zo stelt Goulson, 'ik had tenminste geleerd dat er een bovengrens is aan de temperatuur waarbij hommels zich prettig voelen. Zoals we nog zullen zien, verklaart dat waarom er zo weinig hommels in Spanje voorkomen.'

Een verhaal met een angel zit vol met dergelijke anekdotes, maar ondertussen deelt Goulson wel zijn kennis over de hommel, de grote, behaarde en wat goedmoedig overkomende variant van de bij, waarvan het zo wonderlijk is dat hij kan vliegen, gezien zijn grote lijf en relatief kleine vleugels. Dat kan omdat een vliegende hommel 12.000 keer fladdert per minuut, ongeveer als een motorfiets in de hoogste versnelling. Wel kost dat fladderen zoveel energie dat een hommel bijna permanent moet eten om warm te blijven; een hommel met een volle maag heeft maar een minuut of veertig voordat hij omkomt van de honger.

Dat komt in zekere zin goed uit, want juist die permanente zoektocht naar nectar en stuifmeel maken hommels en andere wilde bijen zo belangrijk als bestuiver van wilde bloemen, maar ook van peulvruchten en fruit, ons voedsel dus.

Het is een prachtig mechanisme, zoals Goulson het beschrijft. Hoe de vroegste bijen vermoedelijk zo'n 130 miljoen jaar geleden ontstonden, waarschijnlijk kort nadat de eerste bloemen evolueerden. Hoe die bloemen een probleem hadden met de voortplanting, want hun zaden werden verspreid door de wind, waardoor 99,99 procent verspild werd. Hoe 'het blinde rondtasten van de evolutie met een betere oplossing kwam: insecten'. Hoe sommige gevleugelde insecten zich gingen specialiseren in het eten van stuifmeel. Hoe planten concurreerden om insecten te lokken, door middel van kleur en vorm, hoe bijensoorten ontstonden die zich specialiseerden in bepaalde planten, en hoe de eerste grote, behaarde bijen ten tonele verschenen, hommels dus, 30 tot 40 miljoen jaar geleden, in een tijdperk met koele temperaturen. En hoe er uiteindelijk 25.000 bijensoorten ontstonden en 250 hommelsoorten.

Totdat het misging, tamelijk plotseling in het licht van de eeuwigheid, vanaf het moment dat de mens wel heel nadrukkelijk zijn stempel op het geheel ging drukken. Dave Goulson doet verslag van zijn zoektocht in Nieuw-Zeeland naar de in Engeland uitgestorven donkere tuinhommel. De ironie wil dat deze donkere tuinhommel en andere hommelsoorten, in 1885 juist vanuit Engeland naar Nieuw-Zeeland waren gebracht om de rode klaver te bestuiven, voer voor paarden en runderen. Ook die rode klaver had Nieuw-Zeeland uit Engeland geïmporteerd, maar de planten brachten zonder bestuiving door hommels te weinig zaad voort.

Goulson vindt in Nieuw-Zeeland inderdaad de donkere tuinhommel, maar hij treft vooral een 'Frankensteinachtig ecosysteem' aan in het land dat zo bekendstaat om zijn natuurschoon; zowat alle inheemse planten- en diersoorten zijn uitgeroeid, verdrongen door geïmporteerde soorten.

Gezien vanuit het perspectief van de hommel loopt het in het Verenigd Koninkrijk - en in de rest van Europa - pas echt goed fout in en na de Tweede Wereldoorlog. De uitvinding van de interne verbrandingsmotor en dus de tractor, waardoor paard en wagen overbodig werden, en daarmee het verbouwen van klaver. De uitvinding van kunstmest - goed voor landbouwgewassen, slecht voor wilde planten - als bijproduct van de opkomende olie-industrie maakt de traditionele methode om de grond vruchtbaar te houden, wissellandbouw, overbodig. De uitvinding en het gebruik van DDT bleek ook uiterst effectief om ieder insecten- en bloemenleven op het platteland

te doden. Later volgden andere bestrijdingsmiddelen die, zoals inmiddels is gebleken, hetzelfde effect hebben.

Bovenal verdwenen de leefgebieden van de insecten en de planten. 98 procent van de hooivelden uit het laagland, bijna alle bloemrijke leefgebieden voor bijen en hommels zijn vernietigd en vervangen door monoculturen van landbouwgewassen. Zo stierf de donkere tuinhommel in Engeland uit, en worden veel van de overgebleven 25 hommelsoorten er in hun voortbestaan bedreigd. Op het Europese vasteland is de situatie niet veel anders.

Dat leidde in de jaren tachtig tot de ontdekking dat er te weinig bijen en hommels waren om de gewassen te bestuiven. De oplossing: hommels telen. In 1987 lukte dat voor het eerst in België, Nederland volgde direct met grootschalige toepassing in de tomatenteelt. Weinig mensen zullen weten dat er verspreid over Europa hallen staan ter grootte van een voetbalveld, met gestapelde hommelnesten in stellingkasten. Europese fabrieken leveren meer dan een miljoen nesten per jaar. En natuurlijk zit daar dan ook weer een dramatische keerzijde aan.

Dave Goulson had, gezien de ecologische catastrofe die hij documenteert, makkelijk een prekerig, cynisch of deprimerend boek kunnen schrijven. Maar Een verhaal met een angel is, vreemd genoeg, eerder vrolijk stemmend. Om te beginnen omdat Goulson aantoont dat bevlogenheid gevoel voor humor niet in de weg hoeft te staan. De bioloog lijkt er genot aan te beleven om mislukte experimenten bij het doorgronden van het mysterieuze leven van de hommel breed uit te meten. Zoals een jarenlang project om honden te trainen om hommelnesten op te sporen, met als netto resultaat dat niet de honden maar de hondenbegeleidster gespecialiseerd raakt in het vinden van nesten.

Naar het einde toe ontwikkelt Een verhaal met een angel zich zelfs als het scenario voor een feelgoodfilm. Goulson koopt een stuk grond in Frankrijk om dat zo hommelvriendelijk mogelijk te beheren. Dat lukt: na tien jaar verandert de saaie, groene grasvlakte in een gevarieerde bloemenwei vol met insectenleven, te midden van een zee van monocultuur. De Franse bewoners van het dorp verzamelen zich niet begrijpend aan de rand van zijn erf om de capriolen van de excentrieke Engelsman te aanschouwen.

De wetenschapper begeeft zich ook in het liefdadigheidswezen. Weliswaar is hij, zo stelt hij, hommels gaan bestuderen omdat ze zo boeiend zijn en niet omdat het zulke belangrijke bestuivers zijn, maar gaandeweg komt hij tot de conclusie dat ze 'dringend hulp nodig hebben'. En met alleen het vergaren van kennis en het schrijven van wetenschappelijke artikelen 'hou je nog geen bij in leven'.

In 2005 richt Goulson de Bumblebee Conservation Trust op, genereert landelijke publiciteit, en vindt zichzelf binnen de kortste keren met de handen in het haar terug in zijn lab, tussen stapels brieven en acceptgirokaarten. De BBCT is een doorslaand succes, in het Verenigd Koninkrijk storten duizenden mensen zich op het terugbrengen van bloemrijke leefgebieden voor hommels. In tuinen, maar ook op het platteland.

Uiteindelijk wordt zelfs het gebied waar de donkere tuinhommel in 1988 uitstierf weer geschikt gemaakt voor het dier. En ontstaan de plannen om exemplaren van de donkere tuinhommel vanuit Nieuw-Zeeland terug te brengen naar het Verenigd Koninkrijk. Maar de Nieuw-Zeelandse hommels verkeren in belabberde staat, dus kiezen Goulson en zijn partners voor de donkere tuinhommel uit Zweden.

Uit alles blijkt dat Dave Goulson over een fenomenale kennis van hommels beschikt. En niet alleen van hommels, maar ook van de interactie tussen insectensoorten, bloemen en planten, en onze voedselgewassen. Die kennis etaleert hij in een lichtvoetige stijl, en met een bijna aandoenlijke bevlogenheid.

En zo kan het gebeuren dat je het na driehonderd pagina's lezen over hommels jammer vindt dat het is afgelopen, dat je gloeiend benieuwd bent naar hoe

het gaat aflopen met de donkere tuinhommel in het Verenigd Koninkrijk, en dat je zin krijgt om zelf enorme velden met wilde planten en bloemen aan te leggen, of om in ieder geval een bosje lavendel in een bloembak op het balkon te stoppen.

Vertaald uit het Engels door Nico Groen