'We weten niets van hun lot'
Bart Boom

'We weten niets van hun lot'

Non-fictie - Geschiedenis & Politiek

'We weten niets van hun lot'

Wat Joden te wachten stond wist niemand

Het is één van de meest beklemmende vragen die ons zeventig jaar na dato nog altijd bezighouden: wat wist 'men' in oorlog van de Holocaust? Het is een vraag die welhaast altijd wordt gevolgd door die andere, bij uitstek morele vraag: is er destijds genoeg gedaan om de Joden te helpen? Dit is niet alleen een twistpunt van een in studeerkamers en vakbladen uitgevochten Historikerstreit, maar ook het onderwerp van een regelmatig terugkerend maatschappelijk debat. Zo bezien is de indrukwekkende studie 'Wij weten niets van hun lot' - Gewone Nederlanders en de Holocaust van de Leidse historicus Bart van der Boom meer dan een geschiedenisboek. Het is een essentiële bijdrage aan een actuele discussie.

De cruciale vragen 'wat wist men?' en 'wat had men kunnen doen?' zijn onlosmakelijk verbonden met het confronterende feit dat ons land het hoogste percentage Joodse slachtoffers (73 procent) telde van heel West-Europa. Een wetenschappelijke verklaring hiervoor gaven Griffioen en Zeller in hun magnum opus Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België, 1940-1945. Het boek van Van der Boom - evenzeer een standaardwerk - neemt de toenmalige perceptie van gewone Nederlanders als uitgangspunt. Dit is een uiterst zinvol uitgangspunt, aangezien de beleving van tijdgenoten en onze contemporaine zienswijze hemelsbreed verschillen. Hoe is dat zo gekomen?

Tot in de jaren zestig was de 'verzetsmythe' dominant in ons collectieve bewustzijn. Hierin werd vooral de anti-Duitse stemming en het (lijdelijke) verzet benadrukt. Vanaf de jaren zestig verloor deze moralistische mythe steeds meer haar glans. Inmiddels is een tegengestelde visie normatief geworden: de Nederlanders wisten van de Holocaust, maar het lot van de gedeporteerde Joden liet hen onverschillig of kon zelfs op hun instemming rekenen. De beschamende cijfers en de passieve houding van de bevolking kunnen immers op niets anders duiden.

De houdbaarheid van deze visie is door Van der Boom op basis van 164 geselecteerde dagboeken diepgaand onderzocht. Het zijn bronnen die niet zijn gekleurd door achteraf verkregen kennis. Op grond van de onderzochte dagboeken concludeert de auteur allereerst dat de gewone Nederlanders de Jodenvervolging vrijwel unaniem afwezen. Deze wordt door hen letterlijk als 'on-Nederlands' bestempeld en veroordeeld als zijnde vijandig aan onze nationale cultuur en traditie. Veelzeggend is dat de meeste Joodse dagboekschrijvers zich moreel gesteund voelden door hun verontwaardigde landgenoten.

Waren alle Nederlanders dan bijna allemaal filosemieten? Dat beslist niet. Ondanks dat zij oprecht begaan waren met de vervolgde Joden, dichtte een aanzienlijk deel van de dagboekschrijvers hen minder aangename eigenschappen toe. Het komt ons na de Holocaust vreemd voor. Even curieus, om niet te zeggen onbehoorlijk, is voor de hedendaagse lezer de neiging van tijdgenoten om de deportatie van Joden te veralgemeniseren en te beschouwen als één van de misdaden die ons volk werd aangedaan. De vergelijking met de razzia's op Nederlandse mannen voor de Arbeidseinsatz werd destijds regelmatig gemaakt. Ook door Joden.

Overtuigend toont Van der Boom aan dat de gewone Nederlander niet wist van de geïndustrialiseerde massamoord die vanaf 1941 op West-Europese Joden plaatsvond. Berichten hierover destijds waren incidenteel, inconsistent en vooral te onvoorstelbaar om waar te kunnen zijn. Niemand twijfelde eraan dat het lot van de gedeporteerde Joden onnoemlijk hard zou zijn. De termen 'uitroeiing' en 'vernietiging' werden sporadisch door de BBC, Radio Oranje, illegale pers en zelfs de nazi-propaganda gebruikt. Tijdgenoten veronderstelden dat de Joden als slaven in erbarmelijke omstandigheden zouden moeten werken en velen van hen door uitputting, ziekte en honger zouden sterven. Hoeveel doden en op welke termijn was volstrekt onduidelijk.

Dat de meeste gedeporteerden onmiddellijk na aankomst vergast zouden worden - de Holocaust al

s industriële genocide - kon vrijwel niemand zich voorstellen. Een macaber voorbeeld is het voorval dat Mirjam Levie, gevangen in Bergen-Belsen, op 29 januari 1944 beschreef in haar dagboek. Zij noteerde dat een onbekende de dag daarvoor op één van de bedden had geschreven 'Die letzten Juden gingen nach Auschwitz zur Vergasung (Tod)'. Haar ontluisterende commentaar luidde: 'Een luguber geval, wat er precies mee bedoeld wordt, weet niemand.' Zelfs na hun aankomst in Auschwitz konden sommige Joden nog wekenlang niet geloven dat de ouderen, zieken en zwakken van hun groep onmiddellijk waren vergast.

Deze onwetendheid en onzekerheid van tijdgenoten over wat er in Polen gebeurde, noemt Van der Boom 'een onmiskenbare sleutel tot hét raadsel van de Bezetting'. Het verklaart waarom veel Joden - dikwijls na lang twijfelen - niet onderdoken. Wie onderdook en gepakt werd, was waarschijnlijk aanzienlijk slechter af dan de gedeporteerden, zo redeneerden zij. Het was een - achteraf beschouwd - fatale misrekening. De meeste Nederlanders bleven uit dezelfde onwetendheid van de Holocaust en angst voor draconische straffen eveneens passief. Er werd gehoorzaamd om erger te voorkomen. Alleen was er geen erger.

Van der Booms goed geschreven en consciëntieuze studie betekent het einde van de mythe van de schuldige omstanders. Tevens wordt duidelijk hoe riskant het is om onze eigentijdse percepties en kennis zonder meer op het verleden te projecteren.