Kiesstelsel kweekt brave leeuwen

D66 wil een gemengd kiesstelsel invoeren. Maar het districtenstelsel werd niet voor niets in 1917 afgeschaft, betogen Remieg Aerts en Jasper Loots....

Misschien is het goed aan de vooravond van een ingrijpende kiesstelselwijziging, nog eens kennis te nemen van honderdvijftig jaar discussie over het kiesstelsel. Dat tempert te hoog gespannen verwachtingen.

Het hoofdredactioneel commentaar van de Volkskrant van maandag 1 december typeerde het gemengde kiesstelsel van minister De Graaf als een halfslachtige hervorming. Omdat hij de grondwet ongewijzigd laat is een waterig compromis tussen evenredige vertegenwoordiging en meerderheidsstemmingen in districten het onvermijdelijke resultaat. De krant pleit daarom voor een radicaal alternatief: terug naar het districtenstel van vóor 1917 toen de (honderd) Kamerleden in evenzoveel districten werden gekozen. Herinvoering van dat districtenstelsel betekent dat in de toekomst alle 150 Kamerleden in alle openheid strijden om het kiezersmandaat. Naast de directere band tussen kiezers en gekozenen wordt de noodzaak om stembusakkoorden te sluiten met verwante groeperingen als een groot voordeel gepresenteerd.

Waarom was het districtenstelsel vervangen door een evenredig kiesstelsel, toen in 1917 het algemeen kiesrecht werd ingevoerd?

Dat was geen gril. Het districtenstelsel had en heeft namelijk onmiskenbaar nadelen. Het selecteert volksvertegenwoordigers op naamsbekendheid, geldingsdrang en een vlotte presentatie, niet op andere kwaliteiten die nodig zijn voor een goed Kamerlidmaatschap. Bekwame kandidaten met inhoud maar die lijden aan 'meeting-impotentie' zijn kansloos. Herhaaldelijk werd dan ook voor 1917 de klacht geuit dat vooral 'allemansvrienden' werden verkozen: buigzaam als riet en veranderlijk als de wind.

Een erkend nadeel van een districtenstelsel is het verknippen van de districten omwille van politiek gewin. Het bleek voor de regeringsmacht altijd aantrekkelijk districtsgrenzen aan te passen voor electoraal voordeel.

Belangrijker is dat een districtenstelsel met meerderheidsstemming de stem van politieke minderheden miskent: the winner takes all. In districten met een vrij eenduidige en constante politieke voorkeur wordt het stemmen voor de minderheid zinloos. Het gevolg is politieke apathie in plaats van meer betrokkenheid. De evenredige vertegenwoordiging is juist ingevoerd om alle minderheden een kans op vertegenwoordiging te geven.

Ook zou een 'wending' in de politiek, bijvoorbeeld van de Fortuynbeweging, onder een districtenstelsel geen kans krijgen. Fortuyn zou één district hebben gewonnen. Zijn 'partij' was nooit met 26 zetels de Tweede Kamer binnengekomen. In welk van beide gevallen is de publieke stem het best vertegenwoordigd?

De stembusakkoorden die in het hoofdredactioneel commentaar worden verwelkomd, werden voor 1917 juist vervloekt. Zij dwongen partijen tot samenwerken en dus tot het verdoezelen van de ideologische verschillen. De politiek lijkt gebaat bij meer in plaats van minder polarisatie.

Minister De Graaf kiest een mengvorm. Hij wil naar eigen zeggen the best of both worlds: de ideale mix tussen evenredige vertegenwoordiging en verkiezingen in districten. Evenredigheid beschermt de minderheden, geeft een waarachtige afspiegeling van de volkswil en erkent het belang van politieke partijen. Twintig districten moeten het evenredige kiesstelsel bij de tijd brengen, waarin herkenbaarheid en aanspreekbaarheid wordt gevraagd van de volksvertegenwoordiger. Een stelsel waarin de helft van de Kamerleden districtsgewijs wordt gekozen verkleint in de optiek van De Graaf de kloof tussen kiezers en gekozenen en geeft de Kamer een zelfstandiger positie tegenover de regering. De politiek komt dichter bij de kiezers en de democratie wordt gerevitaliseerd: een win-win-situatie.

Biedt De Graafs voorstel ons inderdaad het beste van twee werelden of eerder the worst of two worlds?

Zolang kandidaten partijgebonden blijven, blijft er spanning tussen een eigen (regionaal) kiezersmandaat en de noodzakelijk geachte fractiediscipline: leeuw in het district en lam in de Kamer. Kamerleden die stevig van leer trekken, doorbreken vaak de fractie- en partijlijn. Fractie en partij zullen zich willen ontdoen van dergelijke 'lastpakken'.

Voor de ombudsfunctie van Kamerleden lijkt invoering van districten niet noodzakelijk. SP-sympathisanten gebruiken het 'alarm emailadres' van de SP om maatschappelijke misstanden middels een 'aangifte' onder de aandacht van Jan Marijnissen en de zijnen te brengen. De SP is zonder twijfel in dit opzicht de meest activistische partij, maar voor alle Kamerleden geldt dat zij eenvoudig te benaderen zijn. CDA-kamerlid Verburg 'adopteerde' de Utrechtse wijk Kanaleneiland. Dergelijke initiatieven bestaan dus al en lenen zich voor uitbreiding.

De Graaf wijst erop dat diverse landen al een gemengd kiesstelsel hebben. Dat is geen sterk argument als de praktijk daar niet aantoont dat de democratie er veel beter werkt dan bij ons. De meeste Duitse kiezers kennen de naam van 'hun districtskandidaat' niet. In Duitsland hebben partijen bovendien niets nagelaten om greep te krijgen op de kandidaatstelling in de districten. Het lijkt onvermijdelijk dat dat ook in Nederland zal gebeuren. De voorziene opbloei van het partijleven op regionaal niveau zou dan wel eens een illusie kunnen blijken.

Met andere woorden: het voorstel voor invoering van een gemengd kiesstelsel bewijst nergens dat het noodzakelijk, beter of zelfs maar goed doordacht is. De tekortkoming in al dergelijke plannen van D66 is de reductie van democratie tot 'het electoraal moment': verkiezingen en het verwerven van een kiezersmandaat. Dat komt misschien tegemoet aan de bijna ziekelijke behoefte aan zelfbevestiging waarmee de politiek momenteel behept is. In het tegenwoordige parlement zijn deskundigheid en visie belangrijke kwaliteiten en die worden niet per sé bevorderd door eenzijdige nadruk op het verwerven van een persoonlijk mandaat. De politiek is geen loket.

Het probleem dat de partijen zich te weinig voor de kiezer durven te profileren, wordt door een gemengd kiesstelsel niet opgelost. En de parlementaire geschiedenis toont dat dualisme per kabinetsperiode sterker of zwakker kan zijn, afhankelijk van allerlei omstandigheden.

Een waarschuwing tot slot. De vorige kiesstelselwijziging, die van 1917, heeft geleerd dat diegenen die er het meeste van verwachtten degenen waren die er het meest in teleurgesteld werden en electoraal de grootste verliezen leden. Een mooi vooruitzicht?