Art. 67 Grondwet beschermt onafhankelijkheid Kamerleden

Er gaan de laatste tijd stemmen op Kamerleden die zich afsplitsen van hun fractie, te verplichten hun zetel op te geven....

De Tweede-Kamerfractie van de LPF heeft Joost Eerdmans gevraagd zijn zetel op te geven omdat hij kandidaat is voor een andere partij. Op basis van art. 67 kan Eerdmans Kamerlid blijven. Als hij zijn lidmaatschap al zou opgeven, moet hij dat alleen doen om hem moverende redenen. De bepaling die zo’n onafhankelijke opstelling mogelijk maakt, staat sinds 1815 in de Grondwet. Toen was de tekst nog wat langer: ‘leden stemmen zonder last en ruggespraak.’ Het verbod op ruggespraak hield in dat een volksvertegenwoordiger niet optrad als afgevaardigde van een bestuurlijk orgaan. Deze betekenis raakte in onbruik en is geschrapt bij de grondwetsherziening van 1983.Het is veelzeggend dat het principe van ‘stemmen zonder last’ is gehandhaafd. De belangrijkste argumenten om de afsplitsers hun zetel af te laten staan, zijn:- dat zij vaak op de slippen van anderen (de lijsttrekker) het parlement zijn binnengekomen en dus niet over een eigen mandaat beschikken; - de publieke verontwaardiging die veronderstelt dat zij hun zetel louter behouden om de status en het wachtgeld na de verkiezingen. De voorgestelde oplossing is erger dan de kwaal. Het loslaten van art. 67 zal leiden tot een machtsverschuiving van de individuele volksvertegenwoordiger naar de fracties. Aan de oproep een Kamerzetel op te geven, ligt immers meestal een conflict ten grondslag. Wie schuldig is aan dat conflict, is vaak moeilijk te zeggen. Zonder art. 67 zal het individuele Kamerlid aan het kortste eind trekken doordat de fractiediscipline zich nog meer dan nu zal laten gelden. ‘Lastige’ Kamerleden lopen nu het risico na vier jaar aan de dijk te worden gezet. Zonder art. 67 lopen ze die kans elke dag.Luuk van Luyk