1617935
Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Fred Teeven. © ANP

'Aftreden van ministers is zo verkeerd nog niet'

Opinie Aftreden moet niet langer als straf of sanctie worden beschouwd, maar als verantwoordelijk handelen, schrijven Anne Bos en Charlotte Brand. 'Aftreden dus in plaats van optreden in geval van grove fouten.'

 
Het veld ruimen zou niet einde van een politieke carrière moeten betekenen

Vrijdag trad staatsecretaris van Justitie Teeven (VVD) niet af, maar op. Hij ging de confrontatie in de politieke arena aan en legde verantwoording af aan de Kamer over het gevoerde beleid. Daarmee voldeed hij keurig aan zijn rechtsplicht, die is omschreven in het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid. Het politieke oordeel over zijn functioneren liet hij aan de Kamer. Eerdere bewindspersonen zoals Donner en Dekker maakten een andere keuze. Zij traden af in plaats van op na het rapport over de Schipholbrand in 2006. Deze kwestie vertoont gelijkenissen met de zaak-Dolmatov.

Nog veel sterkere overeenkomsten zijn te vinden bij een Belgische asielcasus. In september 1998 werd een 20-jarige Nigeriaanse op het vliegtuig naar Afrika gezet. De rijkswachters die haar bij de gedwongen uitzetting begeleidden, hielden haar in bedwang door haar gezicht in een kussentje te duwen. Ze raakte in ademnood en overleed. De Belgische minister van Binnenlandse Zaken Tobback nam hierna ontslag. Morele en politieke elementen lopen in deze gevoelige casussen vaak door elkaar.

Normen
Doordat Teeven de keuze bij de Kamer legde, kreeg de burger te zien welke staatsrechtelijke regels en politieke normen er op dit moment gelden. De normen veranderen. Zo was in de jaren tachtig de norm dat een politicus bij ambtelijk falen alleen hoefde te gaan wanneer hem persoonlijk iets te verwijten viel.

Het staatsrecht dat van toepassing is op het aanblijven of aftreden van een minister is helder maar summier. Nederland kent een ongeschreven negatieve vertrouwensregel die inhoudt dat een bewindspersoon het vertrouwen van de Kamer heeft tot het tegendeel is bewezen. De motie van vertrouwen die gisteren door Thieme werd ingediend, druist dan ook in tegen de heersende politieke mores. Als de Kamer geen vertrouwen meer heeft in de bewindspersoon kan zij besluiten een motie van wantrouwen in te dienen en aan te nemen.

Maar het gebeurt nooit dat een minister via dit dwangmiddel van de Kamer de laan uit gaat. In de meeste gevallen stapt een bewindspersoon zelf op, al dan niet onder druk van een fractieleider, partijleider, de premier of de ministerraad. Daarbij kan een potentiële dreiging van vertrouwensverlies al genoeg reden zijn om op te stappen. In het begin van de 20ste eeuw kwam het nog wel voor dat bewindspersonen het veld ruimden omdat hun begroting werd verworpen, zoals minister van Marine Bijleveld in 1920, of hun begroting zodanig werd geamendeerd dat hij de noodzaak voelde af te treden.

Bij een dreigend aftreden van een bewindspersoon schiet politiek Den Haag in een kramp. Vreemd is dat niet want de Nederlandse coalitiekabinetten zijn dikwijls een broos bouwwerk: valt er één steen uit dan kan de constructie vervaarlijk wankelen. Een discussie over het functioneren van een bewindspersoon kan de sfeer in de coalitie bederven en zelfs uitmonden in een kabinetscrisis.

Verantwoordelijkheid
Maar voor het zelfreinigend vermogen van de politiek is aftreden zo slecht nog niet. Aftreden zou niet langer als straf of sanctie moeten worden beschouwd, maar als signaal van verantwoordelijk handelen. Daarbij heeft Teeven een flinke tik opgelopen en we weten uit het verleden dat ministers als VVD'er Van Aardenne, maar ook minister De Graaff die in de jaren twintig de bijnaam 'Simon de leugenaar' kreeg, daardoor minder effectief functioneerden. Aftreden dus in plaats van optreden in geval van grove fouten.

Wij staan hierin niet alleen. In de loop van de 20ste eeuw hebben diverse politici een pleidooi gehouden voor het minder krampachtig in het zadel houden van in de problemen geraakte bewindspersonen.

Zo vond Peper (PvdA), een paar jaar nadat hij zijn ministerschap opgaf, dat er veel te omzichtig werd omgegaan met de ministeriële verantwoordelijkheid. Aan de gewoonte 'met een stroopkwast en warme dekens rond te hollen' moest maar eens een eind komen; VVD-Kamerlid Wiebenga zei in maart 1984 in de Tweede Kamer 'dat het wellicht niet slecht zou zijn voor het land' als tussentijds verschuivingen of vervanging van bewindslieden mogelijk was; KVP-leider Schmelzer vond in 1967 dat een ministerscrisis niet hoefde te leiden tot een kabinetscrisis. Nog verder terug, in het begin van de 20ste eeuw pleitte ARP-voorman Kuyper over politieke en technische ministers waarbij de laatsten zonder gevaar voor het voortbestaan van het kabinet gewisseld konden worden.

Voorstander zijn van makkelijker aftreden betekent echter niet dat wij pleiten voor een zondebokcultuur waarin ministers en staatssecretarissen om het minste of geringste de woestijn in worden gestuurd. Het adagium mag niet zijn 'barbertje moet hangen', zoals de teneur was op Twitter. Maar bij fouten waarvan de gevolgen dermate ernstig zijn, zou het bewindspersonen maar ook de Kamer sieren als ze morele elementen zwaarder lieten wegen dan politieke.

Er dient een cultuuromslag te komen in de politiek want tussentijds wisselen is zo erg nog niet. Voor de politicus die het veld ruimt zou dit niet het einde van zijn politieke carrière moeten betekenen.

Anne Bos en Charlotte Brand zijn verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis in Nijmegen en schrijven een dissertatie over afgetreden bewindspersonen 1918-2002.