De regering moet een beslissing nemen over het al dan niet verlengen van onze militaire wederopbouwmissie in Uruzgan. Hoe eerder dat geschiedt, hoe beter dat is, ook om duidelijkheid aan de Afghanen te verschaffen.
Wij hebben destijds tot de missie besloten om Afghanistan weer op de been te helpen. Anders wordt het de bakermat van het internationale terrorisme. Dat zou voor de gehele wereld, en ook voor Nederland, een bedreiging vormen. Een aanslag is in Nederland net zo gemakkelijk gepleegd als in New York of Londen. Dat wij dus een steentje bijdragen aan de strijd tegen het internationale terrorisme is niet alleen begrijpelijk, maar ook voor onze eigen veiligheid noodzakelijk.
Die beweegredenen zijn nu nog onveranderd van toepassing. Wij hebben uitdrukkelijk gekozen voor een wederopbouw- en geen vechtmissie in Uruzgan, een van de armste provincies van Afghanistan. Een paar honderd projecten zijn inmiddels opgezet, op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, infrastructuur, landbouw, openbaar bestuur en rechtspleging. Die projecten helpen de stabiliteit en veiligheid en het herstel van de rechtsorde te bevorderen. Wij zijn daar niet om onze normen en waarden aan de Afghanen op te dringen, maar om hen te helpen zelf hun land weer op te bouwen.
Het is een wederopbouwmissie, onder moeilijke omstandigheden. Afghanistan is na de val van het Talibanregime nog steeds een conflict zone waar dagelijks aanslagen plaatsvinden tegen de wettige regering. Wederopbouwwerkzaamheden moeten, zolang het niet veilig is voor hulporganisaties, uitgevoerd worden met militaire steun. Dat daarbij gevochten zal moeten worden om het Afghaanse leger en de politie te ondersteunen en onze eigen mensen te beveiligen, is onvermijdelijk. Indien daarbij slachtoffers vallen, is dat natuurlijk te betreuren. Iedere dode is en blijft er een te veel, maar deze risico’s zijn de prijs van het inzetten van militairen. Onze militairen zijn geen padvinders, maar goedgetrainde professionals, berekend op hun taak als vredesmacht.
Hebben wij nu in augustus 2008 onze taak volbracht, of trekken we aan een dood paard? Moeten wij weggaan uit Uruzgan en een ander land het maar opnieuw laten proberen? Wij zouden dan fris en vrolijk aan een nieuwe missie kunnen beginnen, bijvoorbeeld in Afrika (Binnenland, 14 juli), waar de toestand ook schrijnend is.
De grote investering in mensen, geld en materieel in Uruzgan is dan voor niets geweest. We weten dat je eerst moet zaaien en het opkomend gewas met zorg moet laten groeien, alvorens je kunt oogsten. Na twee jaar in Uruzgan hebben wij hoogstens de kiemen boven de grond zien uitkomen. Vele wederopbouwprojecten staan nog op stapel.
De Afghanen in Uruzgan weten nu wat ze aan ons Nederlanders hebben, maar Amerikanen, Hongaren, Noren of Arabieren zullen opnieuw een vertrouwenwekkende relatie met hen op moeten bouwen. Wanneer wij besluiten in augustus 2008 te vertrekken, zullen de Afghanen zich afstandelijker en terughoudender opstellen. Zij blijven immers achter en moeten in de dagelijkse strijd om het bestaan zien te overleven. Gaan wij na twee jaar weg, dan leveren we slechts half werk. Dat rechtvaardigt niet dat we dagelijks de levens van onze militairen op het spel zetten.
Aan de andere kant kunnen wij als klein land de missie mogelijk niet ongewijzigd voortzetten. Een dilemma; weggaan is niet goed en blijven kan niet. De oplossing is eenvoudig. Nu leveren wij met 1.500 militairen het grootste deel van de vredesmacht in Uruzgan, gevechtseenheden, ondersteunende eenheden en het Provinciaal Reconstructie Team (PRT).
Het is het PRT dat met zestig militairen, inclusief functioneel specialisten, het wederopbouwwerk doet en de contacten onderhoudt met de lokale autoriteiten en bevolking. De oplossing is dat wij ‘gewoon’ blijven doen wat de kern van onze missie is: wederopbouw in de vorm van het blijven leveren van het PRT. Een ander land moet dan de gevechtseenheden en ondersteunende eenheden leveren. Dat moet mogelijk zijn. Als er geen land te vinden is dat alleen de gevechtseenheden kan leveren, is er ook geen land te vinden dat én gevechtseenheden én het PRT kan leveren. Dan kunnen wij fatsoenshalve helemaal niet weg.
Als we onze inzet beperken tot het PRT, doen wij precies waar we goed in zijn, en bewijzen wij iedereen een dienst: de Afghanen, de NAVO en de internationale gemeenschap. En niet in de laatste plaats onszelf, door onze krijgsmacht in te zetten waarvoor wij die hebben: een vredesoperatie van wereldbelang.
Gijs Scholtens is oud-advocaat. Begin 2007 was hij specialist juridische zaken bij de Task Force Uruzgan.