1553321
Minister Lilianne Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking spreekt tijdens haar werkbezoek aan Afrika in Bujumbura met jongeren over voorbehoedsmiddelen. In de straten van Bujumbura worden bij kioskjes verscheidene soorten voorbehoedsmiddelen te koop aangeboden. © ANP

'Minister Ploumen, nieuw likje verf maakt nog geen nieuw beleid'

Opinie De nieuwe minister voor Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel laat niet na om te benadrukken dat haar portefeuille zo vernieuwend is. 'Met het geven van een lik verf over oude zaken, zijn de verschillende terreinen uit haar portefeuille nog niet zomaar te verzoenen, betoogt Paul Hoebink.

 
Wie ontwikkelingshulp met exportbelangen vermengt, brouwt iets dat hoogstens voor een enkel Nederlands bedrijf en slechts voor de korte termijn te consumeren is

Minister Ploumen benadrukte de laatste tijd verschillende malen, dat haar bijzondere, nieuwe portefeuille zaken bij elkaar bracht, die de ontwikkelingssamenwerking zou vernieuwen. Ik stelde onlangs in het blad Vice Versa dat de minister twee hoedjes op had waarvan de kleuren wel eens zouden kunnen vloeken. Mijn collega Paul Collier sprak zelfs van een giftig mengsel, dat sterk leek op de wijze waarop China met verschillende Afrikaanse landen omgaat. De minister vond daarop onze standpunten maar 'ouderwets', want hulp en handel passen zo mooi bij elkaar in het nieuwe tijdperk. Ik stel daar tegenover dat een nieuw laagje verf nog geen nieuw beleid maakt en dat nieuwe verf over oude zaken ook giftige dampen kan veroorzaken.

Op de eerste plaats is de minister niet een minister van Buitenlandse Handel in brede zin, maar een minister van exportbevordering. Zij heeft een stukje van het Ministerie van Economische Zaken erbij gekregen en ze moet de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven verdedigen. Daar zit het giftige mengsel waar ook Paul Collier op duidt.

Grote mislukkingen
In de jaren zestig en zeventig - tot het geleidelijk werd afgebouwd in de jaren tachtig - was de Nederlandse ontwikkelingshulp vooral ook bedoeld om die Nederlandse export en bedrijfsbelangen te bevorderen. Dat leverde een grote serie mislukkingen op: van medische apparatuur van Philips die al snel niet meer functioneerde, van drachtige vaarzen die niet tegen de tropische hitte en luchtvochtigheid konden, van baggerschuiten die 'eenzaam' op de rede lagen, van Fokker Friendships die niet konden worden onderhouden, van pootaardappelen die in vloeibare vorm onder de deur van de opslag door kwamen. Jan Pronk  (en als hij nog zou leven Jan de Koning) kan er heel wat horror-stories over vertellen.

Wie ontwikkelingshulp met exportbelangen vermengt, brouwt iets dat hoogstens voor een enkel Nederlands bedrijf en slechts voor de korte termijn te consumeren is.

Dan is er nog de andere kant van die buitenlandse handel, namelijk het stimuleren van de export van ontwikkelingslanden. Maar dat is eveneens niets nieuws, dat hoort al een halve eeuw bij de ontwikkelingssamenwerking. Al meer dan veertig jaar zijn er in dit land ook organisaties die ijveren voor 'eerlijke' handel. De OESO brengt alweer zo'n zeven jaar jaarlijkse verslagen uit over wat donorlanden doen op het terrein van 'aid for trade'.

Twee kanten
Daar zijn twee kanten aan. Daar gaat het van de ene kant om allerlei handelsbelemmeringen die ontwikkelde landen, in ons geval de Europese Unie, opwerpen voor ontwikkelingslanden, van oneigenlijke gezondheidsvoorschriften via oplopende tarieven tot aan subsidies voor eigen producenten. Daar gaat het om coherentie van beleid, waarover we al enige tijd in Nederland, ook van deze minister, niets meer horen. Integendeel, het zo goed functionerende coherentie-bureau bij Buitenlandse Zaken is inmiddels opgeheven.

Op de tweede plaats gaat het om belemmeringen in ontwikkelingslanden zelf, hun organisatie en arbeidsmarkt, hun wetgeving, hun exportregelingen, de hoge vervoerskosten. Dat is een lange weg van opbouw en verandering voor landen die van een laag ontwikkelingsniveau komen. Daarom zijn veel ontwikkelingslanden nog steeds exporteurs van grondstoffen, zoals ze dat in de koloniale tijd ook al waren. De 'aid for trade' rapporten geven aan dat ook hier van Nederland weinig opzienbarends wordt vernomen.

Opheffen
De minister vindt zichzelf ook al vernieuwend, omdat ze de investeringen van het Nederlandse bedrijfsleven wil bevorderen. Te beginnen met de Nederlandse Overzeesche Financieringsmaatschappij uit begin jaren zestig zijn er daar ook al vijftig jaar potjes voor, van de Wet Herverzekering Investeringen tot de regeling rond participatiemaatschappijen in ontwikkelingslanden.

Het meest opvallend daaraan is nog dat er in die halve eeuw door het Nederlandse bedrijfsleven zo weinig gebruik van is gemaakt. Als de minister nog zou willen weten hoe dit soort subsidies ook gebruikt kunnen worden, zou ze het rapport van Wakker Dier over de regeling voor Oost-Europa van vorig jaar nog eens moeten nalezen, want daaruit bleek dat met Nederlandse subsidies onze intensieve veehouderij werd geëxporteerd en onder andere meneer Abramovic werd gesteund. Ze zou ook de ontwikkelingsorganisatie Hivos kunnen raadplegen over de positie van vrouwen in de bloementeelt in Oost-Afrika, hun lonen, lange werkdagen en de ongewenste intimiteiten die zij ondervinden.

Tenslotte, het is altijd de bedoeling van ontwikkelingssamenwerking geweest om zichzelf op te heffen. Ook daar vertelt de minister niets nieuws. Maar met zo'n conclusie en met wat nieuwe laagjes verf op oude regelingen heb je nog geen nieuw beleid en geen vernieuwing richting internationale samenwerking 2.0. Dan zul je toch echt wat dieper na moeten denken over de aard en diepte van mondiale vraagstukken en problemen, de rol van de verschillende actoren bij de oplossing daarvan en tenslotte de bijdrage die Nederland daaraan kan, wil en moet leveren.

Paul Hoebink is Bijzonder Hoogleraar en directeur van het Centrum voor Internationale Ontwikkelingsvraagstukken Nijmegen (CIDIN) aan de Radboud Universiteit.