1489577
Het boek 'Ontsporing' van de wetenschapper Diederik Stapel in boekhandel Scheltema. © ANP

'Kritiek is goed, maar we heten niet allemaal Diederik Stapel'

Opinie Onderzoekers moeten met plezier kunnen vertellen over hun soms moeilijk te geloven ontdekkingen, zeker nu hun geloofwaardigheid onder druk staat, schrijft Tom ter Bogt.

In de Volkskrant van 12 januari uit Hans van Maanen in zijn column forse kritiek op een wetenschappelijk artikel van onze hand dat een relatie tussen vroeg-adolescente muziekvoorkeuren en probleemgedrag aantoont. Hij kwalificeert ons artikel als 'twijfelachtig'. Dat is een conclusie die om een reactie vraagt. Helemaal omdat Van Maanen tot zijn kwalificatie komt terwijl hij sommige resultaten verkeerd duidt en onze belangrijkste resultaten zelfs helemaal niet bespreekt.

Vorige week publiceerden wij een artikel in het Amerikaanse blad Pediatrics. Wij vonden een verband tussen muziekvoorkeuren in de vroege adolescentie en het type 'kleine' criminaliteit (winkeldiefstal, vernielen, vechten etc.) dat veel voorkomt in de latere adolescentie. Dit resultaat verbaasde ook ons en wij doen in het artikel een poging het verband te verklaren.

Voortbouwend op het werk van Keith Roe, Jeffrey Arnett en Terri Moffit, beschrijven wij een set van zeven stellingen die dit verband opheldert: Music Marker Theory. Die betiteling is bewust gekozen. Wij noemen muziekpreferenties een 'marker' ofwel een 'indicator'. Nog maar een keer: hardere varianten van hiphop, rock en dancemuziek veroorzaken geen probleemgedrag, maar leiden naar alle waarschijnlijkheid wel tot de selectie van vrienden die later probleemgedrag kunnen versterken.

'Stapeltje'
De scepsis die journalisten aan de dag legden ten aanzien van onze resultaten, was opvallend. Steevast kregen wij de vraag of hier niet sprake was van een 'Stapeltje' - dit begrip bestond een jaar geleden nog niet eens. Dat die vraag nu zo consequent gesteld werd, geeft aan dat er sinds de affaire rond Diederik Stapel in de perceptie van sociale wetenschap iets veranderd is in Nederland. Wij worden niet zomaar meer geloofd. Opzienbarende resultaten triggeren, zeker bij het grote publiek, meteen de verdenking van vervalsing.

Scepsis over wetenschappelijk werk is wat de wetenschap voortdrijft. Kritiek is productief, maar dan moet die kritiek wel niveau hebben. Wij lopen genoemd artikel van Hans van Maanen na en constateren een aantal evidente fouten en missers.

Wij zouden geen 'dochters uit gegoede gezinnen' in onze analyses gehad hebben. Die hadden wij wel. Sterker, onze steekproef was hoger dan gemiddeld opgeleid. Ook in de groep jongeren vonden wij veel typisch adolescent probleemgedrag dat, inderdaad, geïndiceerd werd door vroege muziekvoorkeuren.

Wij zouden weggelaten hebben hoeveel jongeren bepaalde muzieksoorten überhaupt niet kennen. Fout, natuurlijk staat dit wel vermeld. Het waren er overigens niet veel. Er staat ook hoe wij met dit probleem omgaan in onze analyses.

Opleidingsniveau
Wij zouden in onze analyses niet gecontroleerd hebben voor gezinsinkomen. Juist. Maar wij controleren wel voor opleidingsniveau. Uit eerder onderzoek is gebleken dat opleidingsniveau zowel gerelateerd is aan gezinsinkomen en muziekvoorkeuren als aan probleemgedrag. Daarmee is het een relevante controlevariabele die in modellen hetzelfde werkt als gezinsinkomen. Jongeren kennen bovendien het inkomen van hun ouders niet goed. Hen daarnaar vragen, levert veel onzin op. Vandaar dat wij hun eigen opleidingsniveau, dat zij natuurlijk wel kennen, gebruiken.

Wij zouden geen absolute aantallen met betrekking tot de prevalentie van probleemgedrag gerapporteerd hebben. De prevalentie van probleemgedrag wordt inderdaad niet uitgedrukt in bijvoorbeeld een percentage daders, maar wel in een gemiddelde.

In ons stuk proberen wij probleemgedrag op een nieuwe wijze te verklaren. Vandaar de focus op verbanden, en niet op beschrijvende resultaten die elders al voldoende voorhanden zijn en die overtuigend aantonen dat dit veelvoorkomend gedrag is in de adolescentie.

En dan het belangrijkste kritiekpunt. Wij zouden de sterkte van onze verbanden overdrijven. Van Maanen: een voorkeur voor gothicmuziek op 12-jarige leeftijd zou niet meer dan 9 procent van de 100 procent aan variatie aan probleemgedrag op 16-jarige leeftijd voorspellen. Juist. Dit zou een zwak verband impliceren. Onjuist. Met betrekking tot dit type correlationele analyses geldt een verklaarde variantie van 9 procent in de wetenschappelijke literatuur als middelgroot (Cohen, 1992). Omdat het hier overtijdse correlaties betreft, namelijk tussen muziekvoorkeuren op 12-jarige leeftijd en probleemgedrag vier jaar later, hebben wij dit verband gekwalificeerd als opmerkelijk.

Correlaties
Helaas blijft Van Maanen steken in de rapportage van die correlaties. Hij heeft niet eens gekeken naar ons definitieve multivariante model waarin bijvoorbeeld een gothicvoorkeur op 12-jarige leeftijd liefst 21 procent van de variantie in probleemgedrag op 16-jarige leeftijd voorspelt - zelfs als gecontroleerd is voor sekse, opleidingsniveau en persoonlijkheidstype.

In een wetenschappelijk artikel gebruiken wij daarvoor neutrale termen, maar om in een persbericht of in interviews uit te leggen dat het hier om sterke verbanden gaat, daarvan nemen wij geen woord terug.

De verbanden tussen de wat ruigere muzieksoorten en probleemgedrag verschillen ook significant van de niet bestaande of negatieve verbanden tussen bijvoorbeeld voorkeuren voor top-40-achtige muziek, jazz of klassiek enerzijds en probleemgedrag anderzijds. Van Maanen schrijft dat wij deze 'hamvraag' niet beantwoorden en slaat dan zelf aan het rekenen met onze correlaties. Hij beweert dat de verbanden tussen bijvoorbeeld een jazzvoorkeur op 12-jarige leeftijd en probleemgedrag op 16-jarige leeftijd (-.06), en een gothicvoorkeur en probleemgedrag (.31) niet van elkaar verschillen. Dit is feitelijk onjuist: er is een duidelijk, significant verschil tussen die twee verbanden.

Van Maanen vraagt zich af waarom je dit type onderzoek überhaupt nodig hebt en of het niet stigmatiserend is. Wij menen dat wetenschappers de taak hebben ook onwelgevallige resultaten te rapporteren. Wel waarschuwen wij in ons artikel juist tegen stigmatisering. Heel praktisch: onze resultaten geven aan dat sommige ouders wat meer moeten opletten met welke vrienden hun kinderen omgaan. Dat zij moeten blijven investeren in de band met hun kinderen, juist als die luisteren naar muziek die zij zelf waarschijnlijk pokkeherrie vinden. Wij benadrukken dat geen enkel type muziek zou moeten worden verboden en wijzen op de positieve effecten van het luisteren naar muziek.

Wetenschappers en columnisten dienen zich altijd weer bij te scholen en te ontwikkelen. Dat maakt ons en hun vak interessant en uitdagend. Zonder een kritische houding ten aanzien van eigen en andermans werk zou stagnatie ons deel zijn. Maar ook: wetenschappers moeten open en met plezier kunnen vertellen over de soms opzienbarende, soms moeilijk te geloven dingen die zij ontdekken. Zeker in een tijd waarin onze geloofwaardigheid systematisch onder druk staat.

Tom ter Bogt is bijzonder hoogleraar populaire muziek en jeugdcultuur.