Een ode aan de grunge

Bespreking van box-uitgaven Temple Of The Dog, Mother Love Bone en Soundgarden

Chris Cornell, vooral bekend als zanger van de grungeband Soundgarden, is woensdagnacht plotseling overleden. Muziekrecensent Menno Pot schreef een half jaar geleden over de belangrijke periode uit de muziekgeschiedenis: de grunge. Drie prachtige boxen vertellen hoe de dood van Andrew Wood, Love Bone-frontman, boezemvriend en huisgenoot van Chris Cornell, daarin allesbepalend was.

Wie wil voelen hoe hard de dood van Mother Love Bone-frontman Andrew Wood (1966-1990) aankwam in de hechte rockscene van Seattle, hoeft maar naar de documentaire Pearl Jam Twenty (2011) te kijken, waarin Woods vrienden vertellen over die trieste dag, 19 maart 1990.

Ze stonden aan een bed in het Harborview-ziekenhuis: de jongens van Mother Love Bone, onder wie de latere Pearl Jam-leden Jeff Ament en Stone Gossard. Ook aanwezig: Chris Cornell, Woods boezemvriend en flatgenoot, frontman van het aan de weg timmerende Soundgarden.

Wood had een overdosis heroïne genomen en was hersendood

Wood had drie dagen eerder een overdosis heroïne genomen en nu was hij hersendood. Hij werd kunstmatig in leven gehouden zodat dierbaren afscheid konden nemen. 'L'Andrew the Love Child', zoals de flamboyante Kiss- en Freddie Mercury-adept zich noemde, was 24 jaar. De alternatieve glam-hardrockband Mother Love Bone gold als dé grote rockbelofte van de stad.

In de film houdt Cornell het ruim twintig jaar na dato niet droog: 'Hem daar te zien liggen, aan allerlei apparaten, niet dood, maar ook niet meer in leven... dat was het einde van de onschuld van onze scene. Niet toen Kurt Cobain vier jaar later zijn kop eraf schoot, nee, het was dát moment, toen we die ziekenhuiskamer binnenstapten.' Apple, het debuutalbum van Mother Love Bone, verscheen in juli 1990 postuum, als een soort verlate rouwadvertentie.

Zijn dood leidde uiteindelijk tot de doorbraak van de Seattle-scene

Hoe wrang ook: de dood van Wood zette in 1991 een carrousel van bandmutaties, nieuwe initiatieven en samenwerkingen en koerswijzigingen in gang die, achteraf, van doorslaggevend belang bleek voor de ontbolstering en doorbraak van de Seattle-scene. Die carrousel wordt gesymboliseerd door drie prachtige, pas verschenen box-sets, een kwarteeuw na het sleuteljaar: het verzameld werk van Mother Love Bone, het eenmalige Wood-eresaluut Temple of the Dog en de eerste echte kaskraker van Soundgarden, BadMotorFinger.

Aan dat rijtje kun je het klassieke Pearl Jam-debuut Ten nog toevoegen, maar daar was al een box van. Het zijn platen die niet los van elkaar gezien kunnen worden omdat ze samen een verhaal vertellen.

We hebben het hier dus níét over Nirvana, representant van de punky kant van de grunge, die najaar 1991 de deur naar het grote publiek intrapte. Nirvana werd tegen wil en dank vaandeldrager van de stad, maar was juist een relatieve buitenstaander. Het verhaal van Andrew Wood en het muzikale domino-effect dat hij, door te sterven, veroorzaakte aan de harde rockkant van de scene, is eigenlijk van grotere betekenis voor het verhaal van Seattle en de vriendenscene die zomaar wereldberoemd werd.

Dat vooral Mother Love Bone en Temple of the Dog nu (meer dan Nirvana) gedateerd klinken, is eerder een plezierige bijkomstigheid dan een bezwaar: het is het verhaal van toen, maar dat doet niets af aan de ideeën, de bravoure en de verbeeldingskracht waarvan Seattle toen barstte, zonder al te veel effectbejag of illusies over succes.

Deze maand kwam Andrew Wood tot leven. De jongens die in 1990 aan zijn sterfbed stonden, gingen eindelijk eens écht op tournee als Temple of the Dog, inmiddels een voor grunge-fans haast mythische supergroup van Pearl Jam- en Soundgarden-leden, die in 1991 Wood eerde met een album (de bandnaam is een zinsnede uit het Mother Love Bone-nummer Man of Golden Words) maar door de plotselinge grunge-rage nooit tijd vond voor een tournee.

Toen Wood stierf, was Chris Cornell net even in Seattle, tussen het Noord-Amerikaanse en het Europese gedeelte van de wereldtournee van Soundgarden, ter ondersteuning van Louder than Love (1989). Soundgarden was op dat moment met afstand de succesvolste band van de stad. In Europa schreef Cornell enkele liedjes over Wood. De demo's waren akoestisch en een beetje folky, bluesachtig, sterk afwijkend van het agressieve, naar metal neigende werk van Soundgarden.

Cornell liet Reach Down en Say Hello 2 Heaven aan Jeff Ament horen, die vond dat er een album moest komen. Cornell bleef schrijven en haalde Soundgarden-drummer Matt Cameron erbij. Ook Ament en Gossard schreven enkele songs en namen de gitarist van hun nieuwe band mee: Mike McCready. In november 1990 konden de opnamen beginnen. Akoestisch en folky werd groovy en bluesachtig, midtempo hardrock.

Wat Temple of the Dog zo intrigerend maakt, is de wetenschap dat het album werd gemaakt terwijl alle betrokkenen gelijktijdig werkten aan platen waarmee ze weldra een miljoenenpubliek zouden bereiken.

Gossard, Ament en McCready hadden een nieuwe band, waarbij zich als zanger ene Eddie Vedder uit San Diego had gevoegd. De groep heette Mookie Blaylock (naar een basketballer), maar zou nog voor het eind van 1990 zijn naam veranderen in Pearl Jam. Terwijl Temple of the Dog gestalte kreeg, deed Pearl Jam zijn eerste optredens, ondertekende de band een platencontract en werden de songs voor Ten uitgewerkt. Het sprak haast vanzelf dat Vedder ook als gast meezong in een paar Temple of the Dog-liedjes: hij zat er vaak bij.

Cornell, ondertussen, schreef tijdens het werk aan het emotioneel geladen Temple of the Dog-project ook alvast de eerste heavy stukken voor het volgende Soundgarden-album, dat BadMotorFinger zou gaan heten. De wijze waarop Cornell switchte tussen die twee sferen, is achteraf verbazingwekkend.

Deep Six

Hét manifest van de grunge-scene uit Seattle is het album Deep Six uit 1986. Dit is een compilatie met zes bands waarop alle Temple of the Dog-hoofdrolspelers al te horen zijn, te weten Soundgarden en de twee voorlopers van Mother Love Bone: Malfunkshun (met zanger Andrew Wood, zie foto) en de lokale legende Green River, waarvan de rockhelft Mother Love Bone zou worden en de punkhelft Mudhoney.

Hoe dicht het allemaal bij elkaar lag, hoor je als je eerst Times of Trouble van Temple of the Dog en daarna het Pearl Jam B-kantje Footsteps beluistert: het is dezelfde song, bij 'Temple' van tekst, melodie en zang voorzien door Cornell en in de Pearl Jam-variant door Vedder. Temple of the Dog verscheen op 16 april 1991, vóór de grunge-explosie. De plaat verkocht matig, totdat Pearl Jam en Soundgarden doorbraken en MTV in 1992 de stemmige videoclip herontdekte waarin de frontmannen van twee van de populairste nieuwe rockbands een prachtig duet genaamd Hunger Strike staan te zingen in de duinen, in het schijnsel van een vuurtoren.

Weinig fans realiseerden zich dat het hier een twee jaar oud project betrof, opgenomen toen Pearl Jam nog in de embryonale fase verkeerde. Wie Andrew Wood was, wist de gemiddelde fan al evenmin.

Wood was een zachtmoedige, excentrieke grapjas

Iedereen hield van Andrew Wood, de zachtmoedige, excentrieke grapjas met zijn lange blonde haren, die dolgraag een beroemde rockster wilde worden. Op het podium ging hij áltijd tekeer alsof hij voor 20 duizend mensen stond, ook als het er maar twintig waren. Op 22 oktober 2000, in Las Vegas, bereikte Andy Wood pas écht 20 duizend mensen. Precies tien jaar na het eerste Pearl Jam-optreden en ook tien jaar na Woods dood stelde Eddie Vedder voor om Crown of Thorns op de setlist te zetten, een van de mooiste songs van de paradijsvogel die hij nooit ontmoette, maar wel zijn voorganger was.

De Crown of Thorns-uitvoering van 22 oktober 2000 geldt als een emotioneel hoogtepunt in de geschiedenis van Pearl Jam, inmiddels Seattle's grootste - en nog steeds. Wood zou het schitterend hebben gevonden, zíjn song in een grote arena, meegezongen door duizenden, net als de Mother Love Bone-covers waarmee Temple of the Dog deze maand het eigen kleine repertoire uitbreidde.

Ze zijn inmiddels de 50 gepasseerd, de jongens die in 1990 rond het ziekenhuisbed stonden. En Andy Wood? Die kreeg toch nog de roem waar hij recht op had: 'Get me to the stage, it's bringin' me home again, this is Shangrila!

Die andere grungeband

Ze leken een bende op drift geraakte viking-hooligans, maar waren bruggenbouwers, de mannen van TAD. Ook uit Seattle.

In het magische grungejaar 1991 verscheen nóg een gedenkwaardige grungeplaat, uiteraard op het label Sub Pop uit Seattle. Het album 8-Way Santa van TAD (óók uit Seattle) sprong niet zo in het oog als de grote platen van Soundgarden en Alice in Chains, maar werd toch een kleine klassieker in het genre. Want TAD was net even anders. De band rond de kolossale zanger, gitarist en voormalige slager Tad Doyle had duidelijk meer met heavy metal dan met punk, en dat was al te horen op de eerste plaat God's Balls uit 1989 en in brute stonermetalnummers als Satan's Chainsaw. De band werd wat aarzelend opgenomen in de grungegemeenschap van Seatlle, want volgens Tad Doyle zagen hij en zijn bandmaten er destijds uit als een bende op drift geraakte viking-hooligans. 'Maar er gebeurde iets groots in Seattle', zegt Doyle in een interview bij de net verschenen heruitgaven van de drie Sub Pop-platen, 'en wij konden toch net op tijd op de rijdende grungetrein springen.'

TAD ging al in 1989 mee met Nirvana naar Europa, als voorprogramma. En in 1991 zette de band zich, geïnspireerd door Nirvana, aan een wat makkelijker in het gehoor liggende rockplaat. Het openingsnummer Jinx van 8-Way Santa begon al gelijk met een pakkend metalriffje, en daar kwam nog een keurig refreintje achteraan ook. Maar rauwe en distorted heavy metal bleef de aanjager voor TAD, of zoals bassist Kurt Danielson het zegt in een interview bij de heruitgave-serie: '8-Way Santa was als een bloeiende roos in het midden van een modderige poel die overloopt van de pis.' En daarmee deed TAD goede zaken voor de grunge: hij trok latent in grunge geïnteresseerde metalheads over de streep. Die waren de vreselijke rapmetal van de vroege jaren negentig wel een beetje zat en stortten zich met TAD op de grunge uit Seattle. Zo werd de band een bruggenbouwer, en daar mag de grunge TAD achteraf best een beetje dankbaar voor zijn.

Robert van Gijssel