Auteur van Wilhelmus iets dichterbij door nieuwe computeranalyse

Onderzoek naar volkslied

Oud is het Wilhelmus zeker. Maar niet als Nederlands volkslied: die functie vervult het pas sinds 10 mei 1932, naar verluidt op voorspraak van de toenmalige koningin Wilhelmina. Het is altijd gissen geweest naar de auteur van dat weerbarstige lied.

Marnix van Sint-Aldegonde - schrijver, diplomaat en adviseur van Willem van Oranje - wordt het meest getipt. Andere kandidaten zijn Dirk Volkertszoon Coornhert en Balthasar Houwaert. Maar sinds dinsdag prijkt een nieuwe naam bovenaan het lijstje van mogelijke auteurs: die van Petrus Datheen (1531-1588), een dichter die zich geliefd maar ook gehaat heeft gemaakt met zijn psalmberijming uit 1566.

Datheen, die alleen nog in orthodox-christelijke kring enige bekendheid geniet, heeft zijn promotie te danken aan onderzoekers van de universiteiten van Utrecht, Amsterdam en Antwerpen die het Wilhelmus aan een uitvoerige computeranalyse hebben onderworpen. Dinsdag presenteerden zij hun bevindingen tijdens de eerste Louis Peter Grijplezing van het Meertens Instituut in Amsterdam.

Tekst en melodie

Het ultieme bewijs voor het auteurschap zullen we wellicht nooit vinden

Tekstanalyticus Mike Kestemont

Het ritme van de tekst en het gebruik van functiewoorden - zoals lidwoorden en voorzetsels - wijzen in de richting van Datheen. Ook tot verbazing van de onderzoekers zelf. 'Het ultieme bewijs voor het auteurschap zullen we wellicht nooit vinden', zegt de Antwerpse tekstanalyticus Mike Kestemont. 'Maar het heeft er alles van dat we met dit nieuwe onderzoekspoor de dichter van het Wilhelmus op de hielen zitten. Zowel qua tekst als melodie heeft Datheen goede kaarten.'

Die melodie heeft Datheen mogelijk opgepikt tijdens het beleg van Chartres door de Hugenoten (Franse protestanten) in 1568. De belegeraars, die door Datheen als prediker werden bijgestaan, zongen bij die gelegenheid geregeld het lied 'O la folle entreprise de prince de Condé', waarop het Wilhelmus zou zijn geënt.

Kreupelrijm'

Met zijn ontoegankelijkheid doet het huidige Nederlandse volkslied nogal Datheen-achtig aan. De dichter, een vurig orthodoxe calvinist, wekte postuum toenemende weerstand met zijn 'kreupelrijm' en met de vreugdeloze hele noten waarin zijn psalmen waren getoonzet. In 1773 voerde de synode van de Nederduits Gereformeerde Kerk (de voorganger van de Nederlands Hervormde Kerk) een meer eigentijdse berijming in. Tot op de dag van vandaag verzetten zo'n 30 orthodox-gereformeerde gemeenten in Nederland zich tegen deze nieuwlichterij: zij houden Datheen onverkort in ere.

Zo'n 30 orthodox-gereformeerde gemeenten houden Datheen onverkort in ere

Datheen zelf kwam in botsing met Willem van Oranje, wiens weldaden hij eerder in het Wilhelmus zou hebben bezongen. Als stadspredikant van Gent maakte hij bezwaar tegen de gewetensvrijheid die Willem zijn onderdanen wilde toestaan: hij wilde een Republiek zonder katholieken - een opvatting die hem op een verbanning naar Duitsland kwam te staan. Of het Wilhelmus nu is gedicht door Datheen of niet: veel rooms-katholieken in Nederland hebben het tot diep in de twintigste eeuw ervaren als een calvinistisch strijdlied.