Een perscommissie? Is het zo erg?
De media hebben het moeilijk. De oplages van kranten dalen al jaren en ook
opiniebladen hebben het zwaar. Vooral jongeren zijn moeilijk te binden.
Nieuws is ook volop gratis te krijgen op internet, en er zijn gratis
kranten. De andere inkomstenbron van de pers – advertenties – zakt snel in
door de crisis. Daarom gaf PvdA-minister Plasterk (media) in januari een
commissie onder leiding van Elco Brinkman de opdracht te onderzoeken hoe
media kunnen innoveren en welke maatregelen nodig zijn om een pluriforme
pers te behouden.
Wat is de belangrijkste vraag?
Een verdienmodel: hoe kunnen kranten en bladen geld blijven verdienen met
kwaliteitsjournalistiek? Met dank aan internet worden kranten bijvoorbeeld
beter gelezen dan ooit, maar geld wordt er op internet niet of nauwelijks
verdiend. En waarom daalt het aantal betalende lezers al jaren? Zijn de
kranten en bladen zoals nu ze zijn onvoldoende van belang of interessant
voor burgers?
Wat moet Plasterk eigenlijk met de problemen van de pers?
Ook de overheid maakt zich zorgen over de nieuws- en informatievoorziening.
Een sterke en pluriforme pers, die burgers goed informeert, wordt
noodzakelijk gevonden voor een goed werkende democratie. Vooral in de regio
is de situatie al zorgelijk: in veel gemeenten worden politiek en bestuur –
en anderen – niet meer constant professioneel en kritisch gevolgd.
Dan geeft de overheid toch gewoon subsidie?
Volgens sommigen is kwaliteitsjournalistiek een nutsfunctie, net als schoon
drinkwater. Maar subsidie ligt gevoelig: de journalistiek wil onafhankelijk
blijven. De pers hoort de overheid te controleren, niet ervan afhankelijk te
zijn. Veel media zijn ook gewoon winstgevend. Met subsidie houdt de overheid
verder mogelijk titels overeind waaraan lezers blijkbaar geen behoefte
hebben. Om toch te helpen heeft Plasterk 8 miljoen euro STER-geld ingezet om
innovatie te stimuleren. Verder kwam hij onlangs met 4 miljoen euro om
zestig jonge journalisten tijdelijk bij kranten te laten werken. Maar onder
meer Trouw zei geen ‘Plasterk-journalisten’ te hoeven van die ‘fooi’.
Terecht?
Anderen vinden, gezien het maatschappelijk belang van de pers, dat hooghartig
afwijzen van staatssteun vreemd. ‘Is DAF belangrijker dan het Eindhovens
Dagblad, Roda JC van meer belang dan de Limburger en ABN Amro
waardevoller dan De Telegraaf’, vroeg ‘krantenprofessor’ Piet Bakker
zich bijvoorbeeld onlangs af.
Wat wil de pers dan wel?
Maatregelen die kosten besparen, en geld verdienen makkelijker maken. Zo zou
het hoge btw-tarief (19 procent) op digitale kranten ook naar 6 procent
moeten. Er wordt ook gepleit voor een nultarief voor kranten. Verder wordt
gehoopt op het toestaan van (nu verboden) samenwerking bij de distributie en
andere maatregelen om de bezorging goedkoper te maken. Dat is de grootste
kostenpost van de krant. Dat moet geld opleveren waarmee rendabele
kwaliteitsjournalistiek mogelijk blijft.
En Hilversum?
Doorn in het oog van kranten, bladen en anderen, zoals de commerciële
omroepen. De Publieke Omroep wordt gesubsidieerd door Den Haag en haalt
daarnaast via de STER ruim 200 miljoen euro reclamegeld binnen. Dat is
oneerlijke concurrentie: de STER leidt tot minder advertenties – en vooral
ook tegen lagere tarieven – in de pers. Bovendien kunnen de omroepen met
staatssteun diensten ontwikkelen en innoveren, terwijl de pers dat zelf moet
betalen en terugverdienen. Zo heeft de NOS een populaire nieuwssite, die
kranten en bladen bezoek kost.
Een reclamevrije, offline omroep?
Onwaarschijnlijk. Wel kan de taak van de omroep nauwer omschreven worden,
zodat nevenactiviteiten beperkt worden. Ook kunnen omroepen kennis en
materiaal gaan delen met de pers. Omroepbaas Henk Hagoort heeft al beelden
aangeboden voor websites van kranten (op voorwaarde dat de pers ophoudt de
positie van de publieke omroep te bekritiseren). Ook wordt samenwerking
tussen omroepen en kranten waarschijnlijk makkelijker gemaakt. Nu zijn er
wettelijke beperkingen die tv voor kranten oninteressant maakt. Samenwerken
kost veel tijd en levert weinig op, omdat omroepen niet dienstbaar mogen
zijn aan het winst maken door derden, zoals kranten van commerciële
uitgevers.