Zijn biljetten maakten het Nederlandse geld wereldwijd bijzonder - en je werd er vrolijk van

Ootje Oxenaar, ontwerper (1929-2017)

Het geld is de grootste erfenis van ontwerper Robert Deodaat Emile ('Ootje') Oxenaar. Hij heeft meer mooie dingen gemaakt en was als manager bij de PTT een belangrijk opdrachtgever voor andere ontwerpers, maar zijn papiergeld voor de oude Hollandse gulden is onbetwist het hoogtepunt van zijn grafisch oeuvre. Oxenaar is 87 jaar geworden.

Oxenaar (Den Haag, 1929) was een van de schaarse creatieven die zich goed staande hield in de corporate wereld. Geld ontwerpen gaat gepaard met grote bureaucratie. Maar hij liet zich twintig jaar lang niet ontmoedigen door de talloze regels en beperkingen. Datzelfde gold voor de wijze waarop hij de vormgeversafdeling van het, toen enorme, staatsbedrijf de PTT, leidde. Dat gaf vaak gedoe. Toch schrokken bemoeizuchtige ministers of politieke commotie Oxenaar niet af.

Anders dan deze vormgevers is Oxenaars status ook gebaseerd op zijn opdrachtgeverschap

Oxenaar staat als vormgever ergens tussen het rechtlijnig functionalisme van Wim Crouwel en de geëngageerde en intuïtieve ontwerpen van Jan van Toorn  en Anthon Beeke. Anders dan deze vormgevers is Oxenaars  status ook gebaseerd op zijn opdrachtgeverschap. Als baas van de PTT-vormgevingsafdeling liet hij postzegels, interieurs, sculpturen en huisstijlen ontwerpen door mensen als Max Kisman, Wim Crouwel, Wim T. Schippers, Gert Dumbar en Peter Struycken.

Voor de PTT werkte hij vanaf midden jaren zeventig. Tien jaar eerder was hij al begonnen met geldontwerp in opdracht van De Nederlandsche Bank, toen nog een statig bedrijf waar de directie werd aangekondigd door een bode met steekhoed op. Zijn eersteling was het groene biljet van 5 gulden met een portret van Vondel er op. Die subtiele en rijke detaillering van het vijfje, later zijn handelsmerk, zat er toen al in.

Vrolijke biljetten

De biljetten maakten het Nederlands geld wereldwijd bijzonder

Tot 1974 werkte hij aan de erflaterserie, waarbij portretten van Vondel, Sweelinck, Hals, De Ruyter en Spinoza de biljetten sierden. Daarna kwamen de veel kleurrijkere fantasiebiljetten met de snip, vuurtoren en zonnebloem, van respectievelijk 100, 250 en 50 gulden.

Vooral die laatste serie legt goed de kunde van Oxenaar bloot. Het zijn doordacht gekozen voorstellingen, met liefdevolle detaillering. De biljetten maakten het Nederlandse geld wereldwijd bijzonder. Je werd er vrolijk van. Terwijl biljetontwerp meestal het domein is van saaiheid en degelijkheid. Dat bleek ook toen Oxenaars feestelijke briefjes in 2002 werden vervangen door de zouteloze euro's.

Uitspattinkje van de ontwerper

Heimelijk kriebelde hij nauwelijks traceerbaar zijn naam Ootje op een briefje van 5

Oxenaar bevocht zijn vrijheid als ontwerper op de vele ambtelijke regels en de talloze veiligheidsvoorschriften van gelddrukkerij Joh. Enschede. Heimelijk kriebelde hij nauwelijks traceerbaar zijn naam Ootje op een briefje van 5. Of verstopte hij ergens het konijn van de familie Oxenaar. Toen de bank hem daarover berispte, schreef hij: 'Ruim 20 jaar in een spheer van constante controle, beheersing en beveiliging roept een heel enkele maal tot een heel klein uitspattinkje van de ontwerper.'

Oxenaar kon meer, hij maakte affiches, jaarverslagen, keramiek, boeken en kinderboekillustraties. In tegenstelling tot zijn leeftijdsgenoot Crouwel ging hij nooit aan de computer. In plaats van een laptop had hij altijd een Talens kleurendoos bij zich, waar hij rijk figuratief en beetje dromerig werk schetste in zijn dagboeken.

'Vergeet de poëzie niet', was een gevleugelde uitspraak van Oxenaar als hij studenten grafische vormgeving les gaf op Koninklijk Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag. Die poëzie zocht hij ook op een nogal onwaarschijnlijke plek. Hij werd in 1976 adjunct en later directeur werd van de Dienst Esthetische Vormgeving (DEV) bij de PTT.

Naar de koningin

Oxenaar was niet te beroerd om een pak aan te trekken om het belang van de kunst veilig te stellen

Oxenaar maakte er tot zijn pensionering in 1994 een artistieke vrijplaats van, intern ook wel aangeduid als het Zooitje van Ootje of de Dienst Ernstige Vertraging, omdat ze met veel zaken bemoeide waar een vormgevingsaspect aan zat. De post was een enorm bedrijf dat jaarlijks heel veel opdrachten aan externe vormgevers gaf. Oxenaar nam die taak zeer serieus. Nog steeds wordt het opdrachtgeverschap van dit staatsbedrijf als voorbeeldig gezien.

De Dienst gaf opdrachten voor huisstijlen, voor interieurs van de postkantoren, maar die voor postzegels vroegen de meeste aandacht. Vooral omdat iedereen zich ermee bemoeide. Zoals in 1978 toen staatssecretaris van Verkeer Neelie Smit-Kroes het zegelontwerp van Hans Koetsier in de prullenbak gooide. Die had zegels gemaakt ter gelegenheid van het jubileum voor de Europese Rechten van de Mens, met teksten als 'Mijn recht, mijn lol, mijn drol.'

Oxenaar nam het vaak voor de ontwerper op. Zoals in 1980, toen er vanwege de kroning van Beatrix een nieuwe permanente koninginnezegel moest komen. Er waren diverse ontwerpen in de race, maar Oxenaars favoriet, die van kunstenaar Peter Struycken, leek het niet te halen. De majesteit zou niet eerbiedwaardig genoeg zijn verbeeld. Oxenaar toog persoonlijk naar de koningin en overtuigde haar. De pixelzegel van Struycken heeft jarenlang dienst gedaan.

Dat was Oxenaar ten voeten uit. Niet te beroerd om een pak aan te trekken om het belang van de kunst veilig te stellen.