De krant als preekstoel

WAS ABRAHAM KUYPER een journalist? De Savornin Lohman? Domela Nieuwenhuis? Schaepman? Troelstra?..

Ze voerden de pen, dat kan niet ontkend worden. De een bedrevener dan de ander - vergeleken met de flamboyante Kuyper was Troelstra een stilistische hark - maar allemaal even onvermoeibaar en even productief. Een werkweek van enige duizenden woorden was geen uitzondering; van de kranten waarin ze schreven waren ze (op Schaepman na) bovendien hoofdredacteur.Maar dat was nog niet alles. Kuyper (van huis uit theoloog), De Savornin Lohman (rechter), Domela Nieuwenhuis (predikant), Schaepman (priester) en Troelstra (advocaat) lieten zich in de laatste decennia van de negentiende eeuw bovenal kennen als de voorgangers van grote maatschappelijke emancipatieprocessen. Ze waren politici, partijleiders, leden van de Tweede Kamer, en supermanagers van niet geringe volksbewegingen. En waar ze de de tijd vandaan haalden mag de goeie God weten, maar de krant konden ze er kennelijk nog bij doen.Journalisten?Het hangt er natuurlijk van af hoe je het begrip precies wilt definiëren, en hoe je het in het historisch perspectief mag definiëren. Maar onmiskenbaar hebben de 'verzuilde' kranten uit de late negentiende eeuw - en laat ik me even beperken tot de reformatorische Standaard, de katholieke Tijd en het socialistische Volk - een traditie omgebogen die toen in de journalistiek nog maar betrekkelijk kort tot ontwikkeling was gekomen. Voor Kuyper, Schaepman en Troelstra was het dagblad immers geen voertuig om te berichten, maar een vehikel om te verkondigen. De 'ongebonden' kranten die toen al bestonden - de Arnhemsche Courant, de NRC, het Nieuws van den Dag - staken hun politieke of levensbeschouwelijke meningen (de liberale) weliswaar ook niet onder stoelen of banken, maar ze waren er eerst en vooral voor het nieuws uit binnen- en buitenland. 'Dagbladen', had Thorbecke al in 1858 gepostuleerd, 'zijn bovenal een bron van algemene onderrichting: voor de grootste massa der burgerij zijn zij het enige middel van gemeenschap met hetgeen buiten elks huiselijke kring in de wereld omgaat.'En met die liberale opvatting van wat de pers zou moeten zijn, brak de verzuilde krant: juist niet wat zich buiten, maar wat zich binnen elks gedetermineerde kring afspeelde had haar prioriteit. Dat is het paradoxale aan de prille Nederlandse persgeschiedenis: dat de krant, dat medium bij uitstek van openbaarmaking, zich op een meerderheid van de bevolking kon richten als een middel ter versterking van haar isolement.Op de volwassenwording van een Nederlandse journalistiek moet het curieuze, en langdurige intermezzo van de verzuiling grote invloed hebben gehad - de precieze geschiedschrijving van de ontzuiling moet nog beginnen. En het proefschrift van Pieter Bak over 'Trouw en Bruins Slot, 1943-1968', zou er een bouwsteen voor hebben kunnen zijn.Of het dat ook is geworden, is aan enige twijfel onderhevig.Bruins Slot was in dagbladland een van de laatsten, zo niet de laatste, uit de traditie van de politici-journalisten: na Abraham Kuyper en Colijn de derde anti-revolutionaire voorman die de krant als een preekstoel zag. Net als zijn grote voorgangers begon hij zonder journalistieke 'roeping'. Hij schreef wel eens wat in het orgaan van de AR-jongeren of in het Calvinistisch Weekblad, maar van z'n vak was hij burgemeester (van het Groningse Adorp, waar hij in 1933 aantrad als 27-jarige broekeman), en vermoedelijk zou hij ook zonder de tussenkomst van de Tweede Wereldoorlog wel langzaam maar zeker in de hiërarchie van de partij zijn opgeklommen, maar de Duitse bezetting zorgde voor een aanzienlijke versnelling van de staatkundige carrière.Al snel nam bij - principieel - ontslag als burgemeester, maar nog eerder had hij zijn anti-Duitse onbuigzaamheid gedemonstreerd: op het moment dat Colijn het, om De Standaard te redden, op een akkoordje met de bezetters had willen gooien (en zelfs Max Blokzijl als toegevoegd redacteur had willen accepteren), en Bruins Slot in contact kwam met de illegale Vrij Nederland-groep.Dat de wereldgeschiedenis de Nederlandse samenlevingswerkelijkheid wel had aangeraakt, maar nog geenszins had ontwricht, werd in de eerste jaren van de bezetting duidelijk uit het feit dat de ideologische verschillen van inzicht ook in de illegaliteit hun rol bleven spelen. Bruins Slot (en de oudere Jan Schouten - maar die raakte al snel in gevangenschap) zouden het niet eens worden met de al te vrijzinnige en al te 'barthiaanse' Van Randwijk, en namen ten slotte hun toevlucht tot een eigen ondergrondse, puur anti-revolutionaire verzetskrant.Bak beschrijft dat proces droogjes, maar met veel significante bijzonderheden. Natuurlijk was de nationale verzetsgeest een belangrijke impuls voor het oprichten van Trouw, maar het beginsel van de onderneming onderscheidde zich niet eens zo erg van wat Kuyper had gedreven toen hij in 1872 met De Standaard begon om zijn kleine luyden te mobiliseren en te binden: opnieuw moest er verkondigd worden, en van de nationale sentimenten moest een christelijk-nationaal sentiment worden afgezonderd.Want als de vijand straks was verslagen, hadden de mannenbroeders van groot tot klein een journalistiek bastion nodig. Wat de Nederlanders tussen 1940 en 1945 aan gezamenlijke afkeer misschien ook verenigde - hun illegale pers bleef even versnipperd als de legale uit het interbellum was geweest.En in het 'herrezen' vaderland zouden de scheidslijnen, ook in de journalistiek, weer scherp en helder getrokken worden.Dat het bovengrondse Trouw de plaats zou innemen van de oude Standaard, die zichzelf had gediskwalificeerd, sprak in 1945 bijna vanzelf (al is er onder de mannenbroeders nog enige stevige richtingenstrijd om gevoerd) en dat Bruins Slot op den duur de nieuwe Kuyper en de nieuwe Colijn zou worden, lag ook voor de hand: eerst nog 'half' (Jan Schouten was vooralsnog de onbetwiste partijleider), maar vanaf 1956 helemaal: politieke voorman annex hoofdredacteur.Baks dissertatie begint, als de naoorlogse jaren zijn aangebroken, een beetje te zwalken - waarschijnlijk gevolg van een keuzeprobleem dat hij in zijn inleiding ook openhartig uit de doeken doet. Moest het pershistorisch onderzoek worden? Een bijdrage aan de communicatiewetenschap? Een politicologische studie? Een biografie van Bruins Slot?Het werd ten slotte van alles wat. 'In zekere zin', schrijft hij in zijn voorwoord, 'neemt de lezer ook diens (Bruins Slots) intellectuele biografie ter hand.' Maar ook op dat punt komt de lezer van een wat koude kermis thuis. Bak heeft zich vooral gebaseerd op de duizenden hoofdredactionele commentaren die Bruins Slot - op dat punt niet minder nijver dan zijn grote voorgangers - in een kwart eeuw bij mekaar heeft geschreven, maar die heeft hij eigenlijk nooit op hun intellectuele betekenis en waarde geanalyseerd. Je krijgt eerlijk gezegd de indruk dat het, met de intellectuele bagage van deze laatste grote anti-revolutionair nogal losliep, en dat hij in de brandende kwesties van de jaren vijftig (de Indië-politiek, de wederopbouw, de Koude Oorlog) meer politiek dan cultureel-maatschappelijk z'n mannetje stond. Hij was wat dat betreft nooit meer dan een bleke afspiegeling van de Geweldige Abraham.Merkwaardig is dat Bak zelden of nooit de 'dwarsverbindingen' legt tussen de politicus en de hoofdredacteur. Wie zou willen weten wat Bruins Slot binnen z'n partij en als eerste man van z'n kamerfractie aan standpunten innam en aan meningen ventileerde, is bij Bak aan het verkeerde adres. Zelfs als het gaat om het grote historische moment in de 'intellectuele biografie' - de beroemde ommezwaai, toen Bruins Slot in 1962 ogenschijnlijk plompverloren z'n opinie over Nieuw-Guinea liet kantelen - roept Bak meer vragen op dan hij antwoorden geeft. Voor de zinnige antwoorden kunnen we terecht bij een net iets eerder verdedigd VU-proefschrift (Jan-Jaap van den Berg: Deining, koers en karakter van de ARP ter discussie, 1956-1970), waarin Bruins Slot overigens een betrekkelijke bijrol vervult, en waarin het vooral gaat om de politieke motieven die binnen de anti-revolutionaire partij (maar zeker ook binnen de gereformeerdheid in wijdere zin) moeten hebben meegespeeld.Waar Bak alleen maar in heel schemerige termen naar verwijst, is de mogelijke invloed die vanuit de redactie van Trouw op het sluimerende ontzuilingsproces is uitgeoefend. In de jaren vijftig waren bij de christelijke krant nog kwesties actueel als de rol van de film, van de sport, van zondagsevenementen die al dan niet (of steels) aandacht mochten krijgen - maar naarmate de redactie (alleen al door het feit dat ze groter werd en meer personeel moest aantrekken) iets van haar monolitisch karakter begon te verliezen, kan de druk van onderop zijn toegenomen, en het leerstuk van de souvereiniteit in eigen kring aan erosie onderhevig zijn geraakt.De journalistieke werkvloer als kweekplaats van de ontzuiling: nog een pershistorisch onderwerp ter aanbeveling.Eén ding maakt het onderzoek van Bak wat mij betreft duidelijk. Bruins Slot was evenmin een journalist als Kuyper, De Savornin Lohman, Domela Nieuwenhuis, Schaepman of Troelstra.