Randje woestijn

TIMBOEKTOE, SYMBOOL VOOR ONBEREIKBAAR EN MYSTERIEUS, BESTAAT GEWOON. WOESTIJNSTAD IN MALI, MET WINKELTJES VOL BATTERIJEN, VIDEO'S EN CASSETTEBANDJES. FRED DE VRIES REISDE DONALD DUCK ACHTERNA....

Eindbestemming Timboektoe. Het klinkt als een zwart gat, eenBermuda Driehoek waar stripverhalen, mythes en waanzin ineenvloeien. Donald Duck die naar Timboektoe vlucht. Paul Auster dieeen hond als hoofdpersoon kiest voor zijn roman Timboektoe.Uitdrukkingen als 'he has gone to Timbuktu', wat afhankelijk vande context kan betekenen dat hij gek is geworden, zijn vrouwheeft verlaten, of alle schepen achter zich heeft verbrand.

Het mythische Timboektoe is in de loop der eeuwen verwordentot een metafoor voor onbereikbaarheid en mysterie. Maar de stadbestaat echt. Ligt in het midden van het vlindervormige Mali, vervan de hoofdstad Bamako, geïsoleerd - daar waar de Saharabegint.

De negen uur lange busreis van Bamako naar tussenstop Moptileek een mooie gelegenheid om meer over Timboektoe te lezen. Maarde slogan Un Voyage - Un Plaisir, waarmee busmaatschappij Bittaradverteert, blijkt klantenbedrog. De stoelen zijn zompig natdankzij het water van een overspannen en inmiddels uitgeputteairconditioner.

Al na een halfuur verandert de bus in een broeikas op wielen.We zitten opeen gepropt. De zon brandt door de dunne gordijnen.De ramen kunnen niet open. Een scala aan menselijke geurenverspreidt zich.

Onderwijl lees ik berichten over Timboektoe. AvonturiersterKira Salek, die met een kajak van Ségou naar Timboektoe voer,noemt het 's werelds grootste anticlimax'. Anderen willen vooraleen Timboektoe-stempel in hun paspoort, om daarna zo snelmogelijk weer het zand te ontvluchten.

Daartegenover staan de juichende beschrijvingen uit hetverleden. In 1526 berichtte Leo Africanus over de rijkdom vanTimboektoe. Water, granen en vee waren er volop. Er werd gelezenen vertaald. De koning beschikte over een aanzienlijk leger enhad een grote voorraad goud. Elke avond werd er gedanst engezongen.

Bijna driehonderd jaar later klonk de Marokkaanse handelaarShabeni nog steeds enthousiast. Hij repte van een welvarende stadmet zo'n vijftigduizend inwoners, een groot bos aan de oostzijde,vol olifanten en reusachtige bomen.

Die verhalen over goud, pracht en rijkdom maakten Timboektoezo legendarisch en mysterieus dat de Société de Géographie inParijs in 1824 een prijs van tienduizend franc uitloofde aan deeerste niet-moslim die Timboektoe bereikte en terugkeerde metnuttige informatie.

In de bus is de temperatuur inmiddels opgelopen tot boven de40 graden. De chauffeur meent dat loeihard afgespeelde cassettesde sfeer ten goede komen. 'Black night is falling/ Oh how I hateto be alone', kreunt Buddy Guy. Lezen lukt niet meer, slapenevenmin. Met een beukend hoofd verlang ik naar het moment waaropde deuren open gaan, zodat er weer wat frisse lucht naar binnenstroomt.

Tegen zonsondergang bereiken we Mopti. Zonder te hebbengegeten val ik op mijn hotelbed in slaap en word pas de volgendeochtend weer wakker. Mopti is zoals de naam: vrolijk, luid enlevendig, met de rivier als accu. Op de kade wachten opgestapeldematrassen, aardewerken kannen en plakkaten zout op transport. Opde oevers ligt gerookte vis te drogen. Schapen komen witgewassenuit het water. Tegen de avond glijden volgeladen houten botennaar hun plek van bestemming.

Voorzichtig begin ik me ook op Timboektoe te verheugen. MaarAly, een jonge reisleider met wie ik aan de praat raak, smoortmijn optimisme. Timboektoe is het tegenovergestelde van Mopti,zegt hij. Saai, lelijk en droog. En voor de nomadische Toearegsmoet je vooral oppassen. 'Niet te vertrouwen, die lui.'

Het vliegtuig naar Timboektoe vertrekt de volgende dag.Beneden ontvouwt zich een landschap dat wordt gedomineerd doorde loom slingerende metaalgrijze rivier, geflankeerd door groenerijstvelden, pal naast witgele zandvlakten. Na een uur landen wevoor een gebouw met opschrift 'Aeroport de Tombouctou'.

Ook al wordt Timboektoe door honderden kilometers woestijngescheiden van Algerije en Mauritanië, het is ontegenzeglijkeen grensstad: vol mannen, mythes en verlangens, en omringd doorvijandige natuur. Er is geen asfalt. Waar de huizen zijningestort hebben de Bella - voormalige slaven van de Toearegs -hun tenten opgezet. Door de stad lopen open riolen. In eenzandsteeg met spelende kinderen sta ik per ongeluk op een doodpoesje.

Ik staar naar de afgetakelde gebouwen van moddersteen engrijze plamuur, en moet Bruce Chatwin gelijk geven. In 1970schreef hij in Vogue: '''Was het mooi?'', vroeg een vriend namijn terugkeer. Allesbehalve; tenzij je tot stof verkruimelendemuren van modder mooi vindt - muren van een spookachtig grijs,alsof alle kleur eruit gezogen is.'

Er wonen zo'n dertigduizend mensen in Timboektoe. Je hebtgeen auto nodig om je er te verplaatsen. De oude stad is met hulpvan Unesco gedeeltelijk opgeknapt, met als resultaat gladde murenen fraai bewerkte houten deuren. Er zijn nog wat Franse kolonialegebouwen. Daaromheen de woonwijken met lage, kleine winkeltjesvol tandpasta, batterijen, cassettes en gekopieerde video's.Opvallend veel kappers. Er wordt hier niks geproduceerd, iedereenoverleeft dankzij handel en diensten. Grijs is de overheersendekleur.

Tegen de avond komt de stad tot leven. Buurtbewonersroosteren vlees op de straathoeken. Her en der wordt fanatiekgevoetbald. Vier tieners zitten bij een radio. Rainy Night inGeorgia schalt over de zandweg.

Een van de eerste Timboektoeanen met wie ik praat is eenNigeriaan die zich Timex noemt. Hij handelt in mobiele telefoonsen auto-onderdelen, en pendelt tussen Sierra Leone, Dubai enTimboektoe. Timex praat niet, Timex schreeuwt. Tegen de obers,tegen mij. 'Geef me je telefoonnummer in Johannesburg! Ik bel je!Je komt me van het vliegveld halen! Ja, ik zie dat jij geenhandelaar bent! Jij bent ambtenaar!'

Er lopen talloze Nigerianen en Ghanezen rond in Timboektoe,op weg naar Marokko, om daarna de oversteek naar Europa te maken.De zee van zand die zich voor hen uitstrekt en de hoge kosten vande tocht (vaak 1500 euro per persoon, te betalen aan'bemiddelaars') hebben sommigen tot waanzin gedreven. Elke avondhoren we het incoherente gebrul van een Nigeriaan die hier achtmaanden geleden aankwam.

Er is ook een groep Amerikaanse toeristen, die per vliegtuiguit het Marokkaanse Marrakech zijn gekomen. Ze haasten zich naarhet politiebureau voor die felbegeerde Timboektoe-stempel.Vanavond dineren ze in de woestijn. Morgen vliegen ze door naarMopti. Daarna naar Ghana, Gabon... Zeven landen in drie weken.'I know, we crazy Americans', lacht de vrouw die me hetreisschema toont.

Zoals de meeste grenssteden kampt Timboektoe metveiligheidsproblemen. In mijn hotel - een imitatie van eenoranjerood woestijnfort - bivakkeren Amerikaanse militaireadviseurs die betrokken zijn bij de strijd tegen islamitischeterroristen, die zich in het niemandsland tussen Mali,Mauritanië en Algerije ophouden. Soms, weet mijn gids, komen de'terroristen' in Timboektoe inkopen doen.

Timboektoe manoeuvreert moeizaam tussen een rijk verleden ende banale moderniteit. Dat verleden beleefde zijn hoogtijdagenin de veertiende en vijftiende eeuw dankzij koning Mansa Mussa,die gul met goud was en zo een grote groep architecten,geleerden, handelaren naar Timboektoe lokte. De stad ontwikkeldezich tot centrum van de islam en literatuur, compleet metuniversiteit en sprookjesachtige moskeeën. Met de verovering vanTimboektoe in 1591 door Marokkaanse huurlingen zette het vervalin. Manuscripten en geleerden verdwenen richting Fez.

De drie eeuwenoude moskeeën zijn prachtig bewaard gebleven.Hun buitenaardse, zwierige vormen zouden Antoni Gaudí hebbengeïnspireerd tot diens golvende architectuur. De Franseontdekkingsreiziger René Caillé - die uiteindelijk de prijs vande Société de Géographie won - jubelde in zijn notities uit1828 over 'torenspitsen van hemelse modder' en 'fabuleuzearchitectuur'.

Vroeg in de avond zit ik in de koelte van de binnenplaats vanL'Auberge Amanar. Plotseling gaat er een golf van opwinding overhet terras. Bier wordt onbeheerd achtergelaten. Niemand luistertmeer naar de woestijnblues van Ali Farka Toure. Iedereen haastzich naar de poort. Op een paar meter van het restaurant, komtde zoutkaravaan voorbij. Een ketting van pakweg zestig kamelen,in slowmotion, met aan elke zij twee plakken zout, als marmerengrafplaten; honderd kilo 'wit goud' per lastdier. Door Toearegsgebracht uit de zoutmijnen van het noordelijke Taoudenni, veertigdagen heen en terug.

Terwijl we ons vergapen aan dit haast bijbelse tafereel,wordt er iets duidelijk. Het mysterie van Timboektoe schuilt nietin de antieke architectuur van de vervallen stad, maar in deongrijpbaarheid die zich voor ons uitstrekt, die onmetelijkezandvlakte, domein van de Toearegs.

Daarom dein ik twee dagen later ongemakkelijk op een kameeldoor de Sahara. Beneden me zie ik de voeten van het beest verenals levende schokdempers. We zijn op weg naar het Toearegdorp vanchef Sandy ag Almoustapha, zeven kilometer ten noordwesten vanTimboektoe.

De Toearegs heersen over de zandzee. 'De piraten van deSahara' noemde schrijver Brion Gysin hen. 'De blauwe mannen',heten ze ook wel, een verwijzing naar hun (afgevende) indigodoeken en tulbanden. Nog altijd drijven ze hun handelskaravanentussen de Maghreb en zwart Afrika. Gehavend weliswaar, na degrote droogte van 1973 en de oorlog tegen de legers van Mali enNiger begin jaren negentig.

Chef Sandy, een jaar of vijftig en geheel in het blauwgehuld, gebaart me te gaan zitten op een rode mat in een lagetent. Twee peuters scharrelen naakt rond in het zand. EchtgenoteFatima brengt thee. De eerste kop 'sterk als de dood', de tweede'zacht als het leven' en de derde 'zoet als de liefde'.

Daar zitten we, hangen we, liggen we dan. Door kamelenvelbeschermd tegen de oven-achtige hitte. Het dorp, een verzamelingtenten, is uitgestorven. Hoe dood je de tijd? Waar praat je over?Sandy spreekt perfect Frans. We hebben het over de oorlog inIrak, de gelijkenissen tussen de gefragmenteerde Koerden en deToearegs, de rebellie van 1990, kamelen, spoorzoeken in dewoestijn, de geschiedenis van het zout, honing, het oprukkendezand, Amerikanen, rechtspraak, leiderschap, rituelen, islam enmuziek. Fatima brengt een cassetterecorder en we luisteren naarde haperende revolutionaire liederen van troubadoer Kedtou. Sandyvertaalt: 'We weten dat we zullen sterven, maar zoeken tochwapens bij de vijand.'

Op de terugweg nemen we een andere route. Ik hobbel achterSandy aan. Alles ziet er hetzelfde uit. Zand en struiken. Ik hebgeen idee meer waar Timboektoe ligt. De ondergaande zon schilderteen kitscherige hemel. Even raak ik in paniek. De realisatie vanvolledige afhankelijkheid. Dat ze alles met je kunnen doen, ineen woestenij waar alleen zij de weg kennen. Hoeveel toeristenzijn er in de Sahara inmiddels gekidnapt?

Dan zien we in de verte de lichtjes van Timboektoe. Kortetijd later golft stadslawaai over de woestijn. De kameel snuift.Sandy trekt een afkeurend gezicht.

Vertrekpunt Timboektoe. Je stapt het verleden binnen en wordtmeegezogen naar een andere werkelijkheid, waar rijkdom in kamelenwordt gemeten, en afstanden in reisdagen van een karavaan. Eenhallucinerend landschap waarin zout en water belangrijker zijndan tv en dvd.

De sterren zijn het kompas. De smaak van het zand verandertals je verder de woestijn in trekt. Lawaai is een vlieg die omje hoofd zoemt, of de wind die het zand opjaagt.

Beschaving, denkt mijn romantische ik, dat is de stadseconsumptiecultuur. Timboektoe is niets meer dan de vervallenpoort naar die wereld. Een wereld waar de Toearegs hun neus voorophalen.

Twee dagen later kom ik Sandy weer tegen. Onder een boom zithij thee te drinken. 'Ja, ik moest weer naar Timboektoe', zegthij. 'Om mijn mobiele telefoon op te la-den.'