Ietsisten zijn modelburgers

Als we zeggen dat het geloof mensen tot betere burgers kan maken, bedoelen we met dat geloof meestal een oude religie, zoals het Christendom....

Laatst sprak ik een held. Iedereen weet dat je in dit land kunt worden doodgeslagen of getrapt als je ingrijpt wanneer iemand een fiets mishandelt. En toch heeft deze man dat meermalen gedaan en wil hij daar vooral mee doorgaan: ‘Voor mij speelt mee dat ik het voor onze maatschappij gezond zou vinden als we op straat niet alleen maar aan onszelf zouden denken.’ Het clichémannetje in mij vroeg direct naar zijn politieke voorkeur en levensovertuiging. ‘Ik ben zeker geen CDA’er’, antwoordde hij. ‘Maar je kunt jezelf als individu niet los van het geheel zien.’ Moest hij dan ook zijn leven op het spel zetten om een fiets te redden? ‘Nou, voor mij speelt mee dat ik in reïncarnatie geloof. Doodgaan is voor mij van de ene trein overstappen op de andere.’ Daarmee bevestigde mijn held iets waar hedendaagse niet-gelovige intellectuelen langzaam achter beginnen te komen: hun religieuze overtuiging kan mensen ertoe aanzetten goede burgers te zijn. De naar eigen zeggen religiös unmusikalische Duitse filosoof Jürgen Habermas is een van de opvallendste voorbeelden van zo’n intellectueel. Decennialang heeft deze denkmachine gesleuteld aan een gespreksmodel waarmee hij burgers door een machtsvrije, rationele dialoog consensus wilde laten bereiken over de normen van hun samenleving. Nu, moegesleuteld en in de nadagen van zijn leven, pleit Habermas ervoor religie te erkennen als bron van normbesef en solidariteit. Zo dringt eindelijk door dat je een mens niet kunt motiveren een goede burger te zijn als je negeert wat die burger als mens motiveert. De in religieus opzicht neutrale, liberale staat blijft puur procedureel: burger en staat verhouden zich op de juiste manier tot elkaar als ze zich aan de juiste regels houden; wat mensen drijft, mag geen rol spelen. Maar als iemand God het belangrijkste in zijn leven noemt, kun je niet verwachten dat hij zich met hart en ziel voor die staat zal inzetten wanneer hij als burger God thuis moet laten.Wijsheid en kracht
Wat nu? Terug naar onze christelijke wortels? Alsjeblieft niet! Ik zie het juist als deel van het probleem dat twee van de drie regeringspartijen een ‘C’ in de naam hebben, dat we nog de christelijke feestdagen aanhouden, en dat het kabinet de troonrede laat besluiten met de woorden ‘dat velen u wijsheid toewensen en met mij om kracht en Gods zegen voor u bidden’, enzovoorts. Want veel Nederlandse burgers zullen de christelijke God niet het belangrijkste in hun leven noemen. Een deel van hen gelooft überhaupt niet in God, en is toch vaak een prima burger – ik zal het daar nu verder niet over hebben, omdat november is uitgeroepen tot de Maand van de spiritualiteit en niet tot de Maand van het agnosticisme of atheïsme. Het gaat me hier om de verwaarlozing van de groep die eerder zal zeggen dat je voor ‘God’ ook ‘Liefde’ mag invullen, of ‘Energie’, en dat het ook geen enkel probleem is als iemand liever zijn eigen, hoogst particuliere koosnaampje gebruikt. Deze burgers zul je niet motiveren met de woorden ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’. Zij geloven eerder in de God Iets, die niet zo almachtig is, maar wel erg lief. Toegegeven, het kost mij ook nog altijd veel moeite om dit ietsisme serieus te nemen. Toch probeer ik dat wel, en ik denk dat meer mensen dat moeten doen. Mijn zorg is dat we nog te veel volgens de oude strijdlijnen over religie denken, en daardoor niet inzien hoe nieuwe vormen van spiritualiteit mensen tot goede burgers kunnen maken. Een schrijnend voorbeeld is het recent verschenen rapport Religie aan het begin van de 21ste eeuw. Daarin trekt het Centraal Bureau voor de Statistiek de conclusie dat religie en maatschappelijke betrokkenheid nauw met elkaar zijn verbonden. Maar tegelijk tonen de cijfers aan dat de ontkerkelijking zich stabiliseert en dat het kerk- en moskeebezoek blijft afnemen. ‘Als de betrokkenheid bij de kerk geringer wordt’, schrijft het CBS, ‘zou men verwachten dat ook het effect van de kerk als stuwende kracht, de zorg voor een grotere cohesie, zou gaan dalen. Dat dit niet het geval is, betekent dat andere krachten ervoor zorgen dat de tanende impuls gecompenseerd wordt. Hoe dit werkt, weten we niet precies.’Nieuwe spirituelen
Ik weet het ook niet precies, maar ik heb wel een vraag aan de CBS-onderzoekers: waar vind ik de nieuwe spirituelen, die volgens uw concurrenten tussen de 30 en 60 procent van de bevolking zouden uitmaken? Waarom onderscheidt u slechts katholieken, Nederlands hervormden, gereformeerden, PKN’ers, mensen van een andere kerkelijke gezindte en mensen zonder kerkelijke gezindte? Terwijl uit het WRR-onderzoek Geloven in het publieke domein blijkt dat de groep ‘ongebonden spirituelen’ een verantwoordelijke burgerschapsstijl heeft en juist zeer maatschappelijk betrokken is? Verbaast het u dat u niet precies weet ‘hoe dit werkt’, als u de epochemakende transformatie van religie waar we middenin zitten niet meeneemt in uw onderzoek naar religie aan het begin van de 21ste eeuw? Anderen merken wel op dat religie nieuwe vormen aanneemt, om die dan als een bedreiging van het burgerschap af te schilderen. ‘De corebusiness van het christendom – het bevorderen van goed gedrag en sociale binding – staat in het ietsisme niet centraal’, schrijft socioloog Herman Vuijsje in zijn boek Tot hier heeft de Heer ons geholpen. ‘Het ietsisme is wat je er zelf van maakt, het eist niets. Het is de religiositeit van de toiletjuffrouw: wat je ervoor over hebt, wordt aan je beleefdheid overgelaten.’ En mijn held dan? Deze ietsist brengt de beleefdheid op zich in te zetten voor de samenleving. En niet de Heer helpt hem daarbij, maar zijn geloof in reïncarnatie. Hij staat ook niet alleen, volgens het WRR-onderzoek. Waarschijnlijk ziet Vuijsje zelf ook wel in dat hij hier mensen onrecht doet. Want een pagina nadat hij heeft afgegeven op het ietsisme schrijft hij dat ‘sommige stromingen die je tot het ietsisme kunt rekenen, wel degelijk maatschappelijk bevlogen [zijn], vaak vanuit een ‘holistische’ visie op het leven en de aarde, resulterend in een hoog milieubewustzijn’. Maar, zegt hij, het gaat om 8 procent van de bevolking en ‘het groeipotentieel is niet groot’, de WRR spreekt weliswaar van ‘een voorhoede’ maar in werkelijkheid betreft het vooral ‘oudere jongeren’. Om 8 procent van de bevolking? Uit het WRR-rapport mag je toch opmaken dat het er veel meer zijn. En zelfs als het om 8 procent gaat, is dat nog altijd meer dan het aantal islamieten (zo’n 5 procent), een groep waar we zeker niet omheen kijken in het maatschappelijk debat. Het groeipotentieel niet groot? Vuijsje zal toch ook wel weten dat een voorhoede pas een voorhoede is als er een achterhoede op volgt. Vooral oudere jongeren? ‘De niet-gebonden spirituelen behoren niet tot een oudere maar eerder tot een wat jongere leeftijdscategorie’, schrijft de WRR. ‘Dit is in tegenspraak met de theorie dat de alternatieve spiritualiteit een tijdelijk verschijnsel zou zijn, iets wat vooral verbonden zou zijn met de generatie die in de jaren zestig is opgegroeid.’Samengevat gaat het dus om een substantiële groep maatschappelijk bevlogen burgers. Een groep met een groot milieubewustzijn. Een groep die gaat groeien. Koester die, tenzij je meent dat er geen milieuprobleem is.