Het Achterhuis was in mijn leven van meet af aan omgeven door een groot verhaal, dat van de oorlog die achttien jaar over was toen ik werd geboren. Lange tijd heb ik gedacht dat dat vooral gold voor iedereen die, als ik, toevalligerwijs op een Anne Frankschool zat – de mijne stond in Heemskerk.
Maar in de loop der jaren viel me op dat het dagboek van Anne Frank voor iedereen altijd door een context is omgeven. Je hebt het museum, exposities, films, toneelstukken, herinneringen van tijd- en lotgenoten en er is de onvermijdelijke (en geenszins onwenselijke) canonisering van Anne Frank als symbool voor, icoon van, naamgever aan. We willen ‘er wat omheen’, en naarmate een document of andersoortige uiting wereldwijde populariteit heeft verworven, willen wij er soms zelfs zo veel omheen dat het object zélf van brandpunt slinkt tot een van de vele onderdelen.
Maar zonder Dagboek hadden we niet eens geweten van het werkelijke achterhuis, laat staan dat we interesse zouden opvatten voor de vele parafernalia. Daar zitten waardevolle dingen tussen – ik wijs op het Mooie-zinnen-boek, het kasboek waarin Anne in ’43-’44 favoriete passages uit de wereldliteratuur opsomde, citaten die haar gedachten omtrent goedheid, geluk, liefde en oorlog mede hebben gevormd, in dezelfde tijd dat ze aan haar dagboek schreef.
Er zijn ook minder smaakvolle Anne Frankiana, waaronder ik de wandelgids door het Amsterdam van Anne Frank vind vallen, die vorig jaar verscheen, en waarin de lezer op ‘tocht 2’ wordt genood uit wandelen te gaan van het Merwedeplein naar het Achterhuis: ‘In deze tocht lopen wij de (vermoedelijke) route na die Anne Frank met haar ouders volgde op maandag 6 juli 1942, de dag dat zij gingen onderduiken.’ Het kan overgevoeligheid van mijn kant zijn, maar ik beluister hier een bijna opgewekte schoolreistoon in.
Zo overvloedig als de Anne Frank-documentatie is, zo schraal zijn de vermeldingen van het Dagboek in literaire naslagwerken. Vergis ik mij niet, dan schuilt er zelfs iets dubbelhartigs in de vaderlandse benadering van het dagboek als literaire prestatie. Bijna vanzelfsprekend wordt Anne Frank op de historische canon gezet, en ook maakt zij even automatisch deel uit van de vaste tentoonstelling van het Letterkundig Museum. Maar betekent die uitverkiezing ook dat letterkundig geďnteresseerden het dagboek nog daadwerkelijk lezen, of kennen zij het alleen maar?
Begrijp mij goed: ik maak er geen bezwaar tegen dat Anne Frank op de erelijsten van musea en historici prijkt. Wat ik me wél afvraag, is in hoeverre die vermeldingen niet louter plichtmatig zijn, een bewijs van goed gedrag. Dat is niet zo’n vreemde vraag, in een tijd dat de meeste Amsterdammers bij de naam Vondel eerst denken aan een park en bij P.C. Hooft aan een winkelstraat voor gefortuneerd en dikwijls uitbundig gemotoriseerd geboefte.
Onlangs heb ik het Dagboek voor het eerst na dertig jaar herlezen. Als scholier viel mij de directheid ervan op en die blijkt nog immer werkzaam. Je hebt onmiddellijk een band met de jonge auteur. Dit is het gevolg van de dagboekvorm, maar ook van het feit dat Anne zich richt tot een ‘jij’ – en al is die jij het dagboek zelf, ‘Kitty’ genaamd, omdat het een geheim dagboek betreft waar niemand anders in mag neuzen, voelt de lezer zich terstond een voyeuristische deelgenoot; hij sluit een pact met de auteur.
Ze begint het dagboek, een verjaardagscadeau, op 12 juni 1942, nog voordat ze gedwongen zou worden onder te duiken. Ze stelt haar klas voor, en haar familie, en merkt op: ‘Nu ben ik bij het punt aangeland waarvandaan het hele dagboekidee begonnen is: ik heb geen vriendin.’ De lezer wordt zo het begripvolle luisterend oor, temeer als Annes wereld steeds kleiner wordt en haar dagboek des te sterker als houvast gaat fungeren.
We volgen een opklimmende reeks van ellende – ruzies, angsten, kibbelarijen, ziekten – in een zich aldoor verengende wereld – van huis naar onderduik en daar naar de zolder. Ze wordt verliefd maar blijft zichzelf ook dan observeren (‘Wie zou hier weten hoeveel er in een bakvisziel omgaat?’, zoiets zeg je niet als je zelf uitsluitend bakvis bent) en vindt ten slotte, op de allerlaatste dag van dit dagboek, 1 augustus 1944, drie dagen voor haar noodlottige vertrek, alleen nog binnen in zichzelf haar ware natuur terug: ‘Ik weet precies hoe ik zou willen zijn, hoe ik ook ben* van binnen, maar helaas, ik ben het enkel voor mezelf.’ Achter de vrolijke buitenkant zit een ernstige, stille binnenkant, die er maar niet uit kan. Door het op te schrijven, wordt dat zichtbaar. Net zoals de jonge man in het romandebuut van Gerard Reve aan het slot uitkomt bij zijn stille binnenste: ‘Ik adem, en ik beweeg, dus ik leef.’
Die ontwikkeling geeft Het Achterhuis een romanstructuur. Het knappe is dat de schrijfster daarbinnen een groot observatievermogen paart aan een wendbare stijl. Het is de vorm die haar verhaal uniek maakt; de omstandigheden, hoe dramatisch ook, zijn dat niet. Techniek, dat klinkt afstandelijk, en ik geloof inderdaad dat het iets met afstand-nemen te maken heeft, die maakt dat de inhoud effect sorteert.
Hoe je Het Achterhuis zou moeten definiëren (Bildungsroman, oorlogsgetuigenis, egodocument van een jonge joodse onderduikster) is mijn inziens van minder belang dan de vaststelling dat het schrijftalent van Anne Frank (tot het eind in kleur en in vorm) onmiskenbaar is – en dat Het Achterhuis dáárdoor een bijzondere plaats in zou moeten nemen in onze literatuur.
Het kan geen kwaad de woeker van context grotendeels te laten rusten als men het dagboek gaat herlezen. De jaarlijks op 4 mei-herdenkingen weerklinkende leuze ‘opdat wij nooit mogen vergeten’ zou aan kracht winnen als wij die vermaning daadwerkelijk gestalte gaven. Het dagboek kénnen is niet hetzelfde als het lezen, dat beleven is. We moesten de leuze liever uitbreiden, opdat de verplichting die erin is vervat ons persoonlijk aanspreekt: opdat wij nooit mogen vergeten – te lezen.
Arjan Peters is redacteur van de Volkskrant. Dit is de bekorte versie van de toespraak die hij maandag hield in de Rode Hoed te Amsterdam tijdens het symposium ‘60 jaar Dagboek van Anne Frank’.
