Daar zit wat waars in. Om te beginnen is Serge Gainsbourg, zeventien jaar na zijn dood, nog steeds een fenomeen in Frankrijk. Mensen die met hem opgroeiden, maar ook hun kinderen en zelfs kleinkinderen komen al op de openingsdag naar de tentoonstelling.
Net als Bowie en Dylan was Gainsbourg een kameleontisch kunstenaar, die gemakkelijk de kleur van zijn tijd aannam, vaak voordat de tijd zelf goed en wel begreep welke kleur passend zou zijn. Jazz, java, songfestival, chanson, filmdrama, punk, reggae, ska, disco, elektro – het is allemaal door zijn handen gegaan, en steeds was door de stroming heen Gainsbourg zelf te horen.
Maar, en dat is een cruciaal verschil, de populariteit van Gainsbourg houdt op bij de landsgrenzen. Zoals hij ooit – voor de actrice Isabelle Adjani – het eerbetoon Beau oui comme Bowie schreef, zo zou Bowie op zijn beurt nooit een Serge & Destroy opnemen. Hij is eerder de Franse Herman Brood: in eigen land wereldberoemd – niet voor niets programmeert het Cité de la Musique hem na exposities over Pink Floyd, Jimi Hendrix en John Lennon.
Met Brood heeft hij ook gemeen dat zijn werkelijke kunstwerk vooral de vormgeving van zijn eigen leven was. Gainsbourg was een mythomaan en een poseur, hij wist hoe hij de media moest bespelen en had een groot gevoel voor wat zijn publiek van hem verwachtte.
Tegelijk was hij een provocateur – altijd paraat om de heersende opvattingen, vooral op het gebied van de moraal, op de proef te stellen. Op zijn piano stond het portret van Frédéric Chopin naast dat van Sid Vicious.
‘De moderne tijd vraagt om een nieuwe taal. Een taal die zowel van muziek als van woorden is. Er is een wereld te scheppen, alles kan worden gedaan.’ Dat zegt Gainsbourg eind jaren zestig, als zijn talent helemaal samenvalt met de tijdgeest. In 1968 schrijft hij voor het tienersterretje France Gall Poupee de cire poupee de son. Ze wint er het Eurovisie Songfestival mee. Het is de meesterproef van Gainsbourg: hij kan liedjes schrijven die bij een groot publiek in de smaak vallen.
Een jaar later neemt hij met actrice Jane Birkin Je t’aime* moi non plus op, een tekst die eigenlijk voor Brigitte Bardot was bedoeld. Miljoenen kopers over de hele wereld willen keer op keer horen hoe de al iets oudere Franse kunstenaar begeleid door een compleet orkest de liefde bedrijft met de piepjonge Britse. De wereld staat versteld: in Frankrijk kan alles!
In een recent interview vertelt Birkin nog eens hoe ze in werkelijkheid hun teksten in verschillende geluidscabines opnamen, ver van elkaar verwijderd. ‘Dit nummer kan maar beter in blank cellofaan worden verkocht’, zei de producer na de registratie.
Jaren later, in 1980, is er weer zo’n veelzeggend Gainsbourg-moment. De kunstenaar is inmiddels de reggae toegedaan: hij reist naar Jamaica en neemt met sessiemuzikanten van Peter Tosh en Bob Marley een album op (Aux armes et cetera) dat onder meer een reggaeversie van de Marseillaise bevat. Lang voor de fluitconcerten van Maghreb-jongeren bij de voetbalwedstrijd Frankrijk-Tunesië weet Gainsbourg daarmee de Franse patriot in het hart te raken.
Op de dag van een concert in Straatsburg is er een bommelding in zijn hotel. Als het concert begint, zit een grote groep paratroepers in uniform op de voorste rij, klaar om elke ontheiliging van het volkslied desnoods met geweld te verhinderen. Gainsbourg laat zijn reggaemuzikanten achter in de kleedkamer, en zingt de Marseillaise solo en a cappella, met geheven vuist. ‘Perfect gedaan’, concludeert Birkin met grote waardering.
Hoe laat je dit alles in een tentoonstelling zien? De in 1928 als kind van uit de Krim gevluchte joden geboren Lucien Ginsburg werd opgeleid als kunstschilder bij Fernand Léger, maar stapte al snel over op de muziek. In 1953 verbrandde hij bijna al zijn schilderijen, veranderde zijn naam en werd barpianist. Film, zijn andere grote passie, leent zich al evenmin voor een visuele presentatie.
Het Cité de la Musique liet zich inspireren door Alice in Wonderland, geliefd boek van Gainsbourg, en koos voor de vorm van een beeldenbombardement. Zijn leven als artiest is opgedeeld in vier perioden, die elk met een aantal vierkante totempalen worden opgeroepen. Die zuilen, drieënhalve meter hoog, tonen beelden en filmpjes. Uit luidsprekers klinken stemmen die zijn teksten voordragen.
Gainsbourg was een groot womanizer. Marianne Faithfull, Françoise Hardy, Brigitte Bardot, Catherine Deneuve, Isabelle Adjani en natuurlijk Jane Birkin – alle droomvrouwen van zijn tijd werkten vroeger of later met hem samen. Hij had een groot talent om ook actrices, wier kwaliteiten elders lagen, als verdienstelijke zangeressen te laten klinken. Aan aantrekkelijke beelden is zodoende geen gebrek.
Maar wat is bedoeld als een reis door wonderland, heeft de uitwerking van een kakofonie. Vooral doordat de overige visuele inbreng matig is.
Zijn huis aan de Rue de Verneuil in Parijs had Gainsbourg ingericht als een privémuseum. Zijn manuscripten lagen er, zijn uitgebreide verzameling politiebadges en handboeien was er te bewonderen, hij had een mooie bibliotheek. Een paar stukken, zoals het bronzen beeld van de man met het koolhoofd en een portret in polaroids, zijn op de expositie te zien. Maar dat is te weinig om een Gainsbourg-sfeer op te roepen.
De expositie krijgt daarmee iets koels en stijfs. Waarmee geen recht wordt gedaan aan de artiest die met lengte de hipste Fransman van zijn generatie was.
