‘Zonder smeergeld kun je geen zaken doen’

Veel bedrijven kampen met corruptie bij het zakendoen in den vreemde. Opereren zonder steekpenningen is soms onmogelijk; wetgeving heeft de problemen enkel verergerd....

Toen Azerbeidzjan in 2000 als vierde eindigde op de lijst met meest corrupte landen, zei wijlen president Gejdar Alijev laconiek: ‘Eigenlijk zijn we nummer één, maar we hebben de jury omgekocht.’

Corruptie is een groot probleem voor bedrijven die in corrupte landen (willen) opereren. Het betalen van steekpenningen schaadt het imago van een bedrijf, kost bakkenvol geld, is strafbaar en onttrekt investeringen aan de economie.

Zonder het betalen van smeergeld is het echter vaak onmogelijk zakendoen, blijkt uit rapporten uit 2001 en 2006 van Economische en Buitenlandse Zaken. Van veertig geënquêteerde grote (23) en kleine (17) Nederlandse bedrijven zegt 80 procent dat het in veel landen niet mogelijk is te werken zonder enige vorm van omkoping.

Heineken-topman Jean-François van Boxmeer is in zijn ‘Congo-tijd’ weleens om steekpenningen gevraagd. Hij steekt beide handen vooruit: ‘Ik zei: “Daar doe ik niet aan mee. Boei me maar”.’

Dat werd volgens hem als zeer vernederend ervaren. ‘De ambtenaar begon direct over een ander onderwerp. Om geld heeft hij me nooit meer gevraagd.’

Heineken is invloedrijk genoeg om nee te zeggen, stelt de topman. Maar dat geldt niet voor het midden- en kleinbedrijf. ‘In veel arme landen krijg je een container niet verplaatst zonder smeergeld te betalen.’

Hij onderscheidt twee niveaus van corruptie: grote omkoping waarbij veel zwart geld wordt geschoven, ‘daar moet je gewoon niet aan meedoen’. En ‘corruptie van de kleine man. Dat is het smeermiddel van een economie, daar kun je lastig omheen. ik noem het overlevingscorruptie.’

Die ‘kleine corruptie’ is vooral hinderlijk voor lokale medewerkers in zo’n land. Volgens bestuursvoorzitter Herman Verstraeten van Unilever Rusland is kleine corruptie erger dan grote, omdat het de werknemers persoonlijk raakt. ‘Ik hoor van medewerkers dat ze de leraar geld moeten toestoppen om onderwijs voor hun kinderen te krijgen, en de dokter of verpleegster moeten omkopen voor medische hulp of medicijnen. Politieagenten laten weggebruikers vaak een boete betalen voor een overtreding die ze niet hebben begaan. Corruptie is in alle lagen van de maatschappij geïntegreerd.’

Unilevers beloningssysteem voorziet in een toeslag voor ‘moeilijke’ landen. Daarbij speelt niet alleen het klimaat, de veiligheid, infrastructuur of scholing een rol, maar indirect ook de mate van corruptie, stelt Verstraeten.

In de hoop de problemen tegen te gaan, tekende Nederland in 1998 het OESO-verdrag tegen corruptie. Als gevolg daarvan werd op 1 februari 2001 een anti-corruptiewet van kracht die het betalen van steekpenningen aan buitenlandse ambtenaren in Nederland strafbaar stelt. Nog de vijfenhalf jaar die daarop volgden, tot 1  augustus van dit jaar, waren de kosten van smeergeld belastingaftrekbaar.

De anti-corruptiewet werkt echter contraproductief, constateert Eleonoor Hintzen van het adviesbureau Good Company, dat de corruptie-onderzoeken voor Economische en Buitenlandse Zaken verrichtte. ‘Veel, vooral kleine bedrijven geven aan dat ze bang zijn te worden betrapt. Ze zijn vaak niet op de hoogte van de nieuwe wetgeving en als ze ervan horen, geven ze aan corruptie nog verder te moeten verbergen in de boeken. Ze kunnen simpelweg niet opereren zonder steekpenningen.’

Sectorgewijs samenwerken tegen corruptie is volgens Hintzen daardoor nu uitgesloten, ‘omdat je daarmee toegeeft dat je ermee te maken hebt’. Ondernemers kunnen nergens naartoe als ze worden uitgebuit; ambassadepersoneel heeft in principe een meldingsplicht.

Volgens Hintzen kan ook ‘kleine corruptie’ grote vormen aannemen: ‘Als je honderd dollar moet betalen voor elk goed dat je een land in probeert te krijgen, kan dat op jaarbasis tot een enorm bedrag uitgroeien.’ Een bekend voorbeeld is volgens haar het honderd-dollarbiljet dat vrachtwagenchauffeurs ‘standaard’ in hun paspoort moeten stoppen om in sommige Oost-Europese landen de grens over te mogen. ‘Zonder dat geld kom je er ook wel in, maar duurt het veel langer en loopt de chauffeur een grote kans dat zijn vrachtwagen wordt beroofd omdat malafide douaniers doorgeven dat hij weigerde te betalen.’

De anti-corruptiewet heeft in zes jaar nog nooit tot een veroordeling geleid. ‘Maar het circuit speelt zich daardoor steeds dieper in het verborgene af’, stelt Hintzen. De schattingen over smeergeld lopen tot in de vele miljarden per jaar.

Grote multinationals stellen gedragscodes op en lichten hun personeel voor over de wetgeving en strafbaarheid. Shell vraagt zijn stafmedewerkers elke twee jaar in een vertrouwelijk gesprek of hun afdeling integer zaken doet. De laatste keer, in 2004, antwoordde 79 procent met een duidelijk ja, en 5 procent met een duidelijk nee.

Ook heeft de oliemaatschappij een wereldwijde kliklijn ingevoerd waar personeel vertrouwelijk misstanden kan melden. In 2005 rapporteerde Shell 107 ‘schendingen van integriteit’. Als gevolg daarvan is het contract met 175 personeelsleden en leveranciers beëindigd.

Unilever maakt in zijn jaarverslag geen melding van corrupte medewerkers, maar overweegt dit vanaf volgend jaar wel te doen. De huisregels schrijven voor dat mensen die in overtreding zijn, ‘zonder pardon’ worden ontslagen, zegt topman Verstraeten. Hij noemt als voorbeeld een medewerker die klanten in Russische hotels onderbracht en de recepties ‘bewijsbaar’ om steekpenningen vroeg. ‘Dat kunnen wij niet tolereren.’

Ook Heineken heeft een kliklijn en maakt ontslagen als gevolg van corruptie niet publiek. Andere bedrijven zijn heel terughoudend in hun informatie. Het baggerbedrijf Boskalis, dat als enige Nederlandse multinational de verklaring ‘Partnerschap tegen Corruptie’ heeft ondertekend op het World Economic Forum in Davos, zegt dat zijn werknemers ‘nog nooit’ met corruptie te maken hebben gehad. Woordvoerder Roel Berends noemt het onderwerp ‘lastig’ en ‘wil er verder niks over zeggen’.

‘Het is onbestaanbaar dat Nederlandse bedrijven in landen waar veel corruptie voorkomt, handel kunnen drijven zonder zich er zelf schuldig aan te maken’, stelt secretaris Paul Verloop van Transparency International, de organisatie die jaarlijks de ranglijst van integere landen opstelt (waarop Nederland dit jaar uit de toptien is geduikeld als gevolg van de bouwfraude-affaire).

‘Een corrupte ambtenaar gaat heus niet knipmessend een Nederlander helpen als die niet af en toe iets toeschuift, terwijl anderen dat wel doen’, zegt Verloop.

De aard van corruptie is volgens hem verander. De ‘bruine envelop vol bankbiljetten’ heeft plaatsgemaakt voor indirectere corruptie, zoals het aanstellen van sleutelfiguren op belangrijke posten binnen je bedrijf. ‘Of hun zoons of neefjes.’

Toch is het negeren van corrupte praktijken mogelijk, stelt Joop Berkhout, die in Nigeria de uitgeverij Spectrum Books heeft opgezet. Hij woont en werkt bijna veertig jaar in een van de corruptste landen ter wereld, maar zegt nog nooit één cent aan steekpenningen te hebben betaald. ‘Mij is weleens om geld gevraagd om het vliegtuig in te mogen, terwijl ik keurig een ticket had gekocht. Dan zei ik: “Dan vlieg ik maar niet”. Op een gegeven moment weten de locals: bij Berkhout valt niets te halen.’

De tijden dat Nigeria steevast bovenaan de lijst van corrupte landen prijkte, zijn voorbij, constateert de uitgever. ‘Nigeria heeft zijn importlicenties afgeschaft en zijn wetten aangescherpt. Als ik nu door een agent word aangehouden die me geld vraagt, wijs ik hem erop dat hij iets illegaals doet en dat ik zijn naam wil noteren. Meestal zeggen ze dan: “Sorry sir”, en gaan ze weg.

Zakendoen in een land als Nigeria kost tijd, bevestigt de tijdelijk zaakgelastigde Ard van der Vorst van de Nederlandse ambassade in de hoofdstad Abuja. ‘Zonder smeergeld komt die vergunning er ook wel, het duurt alleen langer. Ondernemers moeten geduld hebben en tijd steken in het leren kennen van de lokale markt en de juiste mensen.’

Onder diens auspiciën is het Dutch Business Council in Nigeria opgericht, een samenwerkingsverband waarin managers van Nederlandse bedrijven kennis overbrengen aan nieuwkomers in Nigeria. ‘Er vertrokken meer bedrijven dan er kwamen’, zegt Van der Vorst. ‘Bedrijven als Shell, Unilever, KLM en Wamco van Friesland Foods leren ondernemers hoe ze zonder valkuilen door de douane kunnen komen en een goed relatienetwerk kunnen opbouwen.

Ook in Rusland worden, met medewerking van Unilever en de Nederlandse ambassade, initiatieven ontplooid om corruptie tegen te gaan en nieuwe bedrijven te begeleiden in het zakendoen.

De Nederlandse Rijksrecherche heeft met haar collega’s in Hongarije, Roemenië en, binnenkort, in Polen convenanten gesloten over informatie en kortere werklijnen om corruptie te kunnen aanpakken. ‘En dat willen we verder uitbreiden’, zegt directeur Dick Pijl van de Rijksrecherche. Samen met het adviesbureau Deloitte heeft de rijksrecherche landen en bedrijven ‘gemonitord’ en een databank opgezet waaruit de 25 EU-lidstaten kunnen putten. De recherche richt zich vooralsnog op corruptie in Oost-Europa, ‘omdat het met landen buiten Europa het niet altijd makkelijk is om samen te werken’, zegt Pijl.

‘Corruptiezaken komen niet op je bureau aanvliegen; je moet ernaar op zoek’, verklaart hij het ontbreken van dagvaardingen als gevolg van de anti-corruptiewet tot dusver. Corruptie is volgens hem lastig te bewijzen: beide partijen zijn gebaat bij geheimhouding. ‘Je hebt alleen een indirect slachtoffer: de staat of de samenleving. Want corruptie wordt verdisconteerd in de prijs, de prijzen worden hoger en diensten zijn voor minder vermogende partijen moeilijker toegankelijk.’

Hij erkent dat ambassadepersoneel een aangifteplicht heeft als het op de hoogte is van corrupte praktijken. Toch moedigt de directeur van de Rijksrecherche bedrijven aan steun te zoeken bij ambassades als ze financieel worden uitgebuit: ‘Ken de mores van het land waar je naartoe gaat, heb geduld en bezint eer ge begint. Want als je er eenmaal aan toegeeft, houdt het nooit meer op.’