Kinderarbeid in Dhanbad, India.
Kinderarbeid in Dhanbad, India. © REUTERS

Van kinderarbeid komt de wereld niet zo makkelijk af

Kan er iets gedaan worden tegen uitbuiting?

In de 19de eeuw maakten wij in het Westen korte metten met kinderarbeid. Dan moet het in Azië en Zuid-Amerika toch ook lukken? Helaas, de praktijk blijkt weerbarstig. In een groot deel van de wereld is kinderarbeid nog een noodzakelijk kwaad.

'Textiel Bangladesh nu zonder kinderarbeid', luidde een kop in de Volkskrant in 1995. Bijna twintig jaar later is het nog steeds meer wens dan waarheid. H&M verwerkt in Bangladesh stoffen die in Indiase spinnerijen zijn gemaakt door meisjes die als 'moderne slaven' tewerk zijn gesteld, was de onthulling van deze week.

Zo klinkt 'De strijd tegen kinderarbeid' inmiddels als een filmklassieker die iedereen al honderd keer heeft gezien. Komt de wereld wel ooit van kinderarbeid af?

Het Westen kan op basis van ervaring stellen dat het mogelijk is kinderarbeid en andere vormen van uitbuiting af te schaffen. Ons is het gelukt, dan moet het hen toch ook lukken?

Hier wriemelen al een jaar of zeventig geen kindervingers meer aan overhemdboorden en zijn stoflongen door fabriekswerk een zeldzaamheid geworden. De uitwassen van het kapitalisme, zoals ze ooit werden genoemd, zijn op westerse bodem uitgebannen.

Maar de problemen van de 19de-eeuwse 'Verelendung' in Europa zijn voor een deel opgelost door ze over de heg te kieperen van de derde wereld. In lagelonenlanden in Azië, Latijns-Amerika en recentelijk ook Afrika doen ze nu alweer decennia het vuile werk.

Het is een aanpak waar wij Nederlanders al mee begonnen in het koloniale tijdperk. In de jaren twintig, toen in Nederland de leeftijd voor werkende kinderen inmiddels was verhoogd, verlaagde de overheid in Indonesië de leeftijd om te mogen werken van 14 naar 12 jaar. Het argument: Indische kinderen worden toch eerder volwassen.

Zo tekent zich iets af van een natuurwet: net als water lijkt ongeschoolde arbeid altijd het laagste punt te zoeken.

Kunnen we dan wel iets doen tegen uitbuiting?

Sweatshopfase

Het eerste antwoord is: dat moeten we niet willen. Als wij, in het rijke Westen, onze neus ophalen voor kleding die is gemaakt door uitgebuite naaisters in India en Bangladesh, dan ontzeggen we hun de kans op een betere toekomst. Naaiateliers, oftewel sweatshops in de taal van de wereldwijde economie, zijn een vehikel naar een betere toekomst.

'Sweatshops horen bij het proces van economische groei', zegt Benjamin Powell, directeur aan het vrijemarktinstituut van de Universiteit van Texas. Zijn recente boek, Uit de armoede, leest als een lofzang op sweatshops. 'Ik ken geen land dat vandaag de dag rijk is, of het moet zijn dankzij natuurlijke delfstoffen, dat niet door een sweatshopfase is gegaan.'

Maar dan moeten wij in het Westen toch nog wel proberen de werkomstandigheden daar te verbeteren?

Nee, want dat zou arbeiders in lagelonenlanden weer veroordelen tot 'rondscharrelen op een vuilnisbelt', waarschuwt de gelauwerde econoom Paul Krugman in een beroemd artikel uit 1997, In Praise of Cheap Labor. Ook dat laat zich lezen als een lofzang op sweatshops - een genre waar de boekenkast van de ontwikkelingseconomie trouwens vol mee staat.

Krugman is geen rechtse jongen. Hij zou het graag anders zien, maar hier speelt gewoon de wet van vraag en aanbod. De enige reden waarom westerse bedrijven produceren in India of Bangladesh is omdat het daar goedkoop is. Stijgen de productiekosten - bijvoorbeeld door hogere lonen, of meer aandacht voor veiligheid - dan vluchten investeerders naar een ander lagelonenland. Of ze gaan terug naar het Westen.

Vreselijk. Maar het is niet anders. In het Westen hebben we de sweatshopfase nu eenmaal achter ons gelaten; in Azië zitten ze er nog middenin. We helpen alleen door daar veel kleren te kopen, zodat de welvaart stijgt.

Je neus ophalen voor een shirtje gemaakt onder slechte omstandigheden, noemt Krugman snobistisch. 'Het betekent dat je straatarme mensen een kans op een beter leven wilt onthouden, vanwege een soort esthetische standaard - omdat je het geen prettig idee vindt dat arbeiders een grijpstuiver krijgen om rijke westerlingen van kleren te voorzien.'

Arme arbeiders in lagelonenlanden zitten niet te wachten op westers gezeur over veiligheid, weet de econoom Powell. Hij vroeg arbeiders in een onveilige kledingfabriek in Bangladesh: willen jullie een beetje meer loon, of meer aandacht voor veiligheid? Ze kozen allemaal voor extra salaris. Logisch. 'Ze hebben het geld nodig voor eerste levensbehoeften.'

Wereldregels

De instorting van de Bengalese kledingfabriek Rana Plaza in april 2013 - 1.128 doden - schokte niet alleen de wereld. Het veranderde ook het economische denken over sweatshops.

Na de ruim duizend doden kwam Paul Krugman vorig jaar terug op zijn beroemde werkstuk over goedkope arbeid. Hij was te kort door de bocht gegaan. Bij nader inzien: weg met het idee dat uitbuiting goed is. Westerse overheden en afnemers moeten juist op hun strepen gaan staan als het gaat om werkomstandigheden.

Zeker, dat kan, ook zonder de export te vernielen. De kledingindustrie is door ons, het rijke Westen, namelijk geheel over de schutting gegooid van de derde wereld. Concurrentie is er slechts met andere arme landen, zoals China. Als wij in het Westen maar eisen stellen aan sweatshops in álle lagelonenlanden, maakt dat de markt niet kapot. Krugman: 'We kunnen het leven van arbeiders verbeteren.'

En daaraan wordt ook gewerkt. In de eerste plaats door de International Labour Organisation (ILO), de afdeling van de VN die zich bezighoudt met arbeidsvraagstukken. Coen Kompier, al veertien jaar namens ILO gevestigd in Delhi als arbeidsomstandighedenspecialist in India, Bangladesh en Sri Lanka, zegt het heel stellig: 'Kinderarbeid moet verdwijnen.'

Maar is het ook reëel? Kompier heeft er een hard hoofd in.

De voornaamste reden daarvoor is de mentaliteit van politici. Vooral India stemt hem weinig hoopvol. India is het enige grote land in de regio dat de internationale afspraken over kinderarbeid niet heeft ondertekend, en die over het recht tot oprichten van vakbonden evenmin. En met de op economische groei gerichte regering van Narendra Modi lijkt het ook niet waarschijnlijk dat het binnenkort gebeurt.

Maar hij ziet wel dat de schaamte over deze onderwerpen politieke kringen gegroeid is. 'Tien jaar geleden praatten Indiase politici nog openlijk over de comparatieve voordelen van kinderarbeid voor de economie. Dat durven ze nu niet meer.'

Verantwoord ondernemen

Het gaat dus langzaam om alle landen op één lijn te krijgen bij het uitbannen van kinderarbeid. Wie het te langzaam gaat, moet voor zichzelf beginnen. Bedrijven met motieven die nobeler zijn dan de zoektocht naar de laagste prijs. Ze zijn vaak klein en produceren voor het hogere segment van de westerse markt.

Maar om iets te verbeteren, zul je zelf vieze handen moeten maken, is het standpunt van het Nederlandse bedrijfje Fairphone, dat ernaar streeft een honderd procent eerlijke mobiele telefoon te verkopen: zonder kinderarbeid, het gebruik van conflictmineralen en werknemers die worden blootgesteld aan schadelijke stoffen. Aanvankelijk gingen ze er met gestrekt been in - we zullen wel even een eerlijke telefoon maken. Maar de realiteit bleek complexer dan ze hadden gedacht.

'We kunnen het niet in een keer veranderen. We verwachten nu nog geen perfectie', zegt Bibi Bleekemolen van Fairphone. Het standpunt 'kinderarbeid is slecht dus wij werken niet samen met bedrijven waar kinderarbeid voorkomt', vindt ze kortzichtig. 'Dan help je die kinderen alleen maar het illegale circuit in. In een groot deel van de wereld is kinderarbeid een noodzakelijke bijdrage aan het levensonderhoud van gezinnen.'

Dus werken aan de nu bestaande Fairphone nog kinderen mee. In de Congolese tinmijnen waarmee Fairphone samenwerkt, verkopen kinderen zakjes water aan de mijnwerkers. 'We hebben gezegd: we willen niet meewerken als kinderen die een gevaarlijke mijn in gaan, maar dan moest er wel een alternatief zijn.'

Droomscenario van de Fairphones van deze wereld: een eerlijk en schoon product maken dat toch winstgevend is en dan hopen op olievlekwerking. Dat er uiteindelijk een situatie zal ontstaan waarin bedrijven die niet verantwoord produceren daar hinder van ondervinden, omdat westerse inkopers niet meer met hen willen samenwerken.

Vakbonden

Kinderwetje van Van Houten

Het einde van de kinderarbeid in Nederland is in het collectieve geheugen onlosmakelijk verbonden met 'het Kinderwetje van Van Houten' uit 1874. In feite was deze wet slechts een zeer bescheiden beginpunt. De wet verbood alleen fabrieksarbeid voor kinderen jongeren dan 12 jaar - terwijl het probleem bij 12- tot 16-jarigen lag. Pas in 1919 werd kinderarbeid voor kinderen onder de 14 verboden, twee jaar later gevolgd door de zevenjarige schoolplicht. De regel dat werken verboden is onder de 16 stamt voor meisjes uit 1965 en voor jongens uit 1970. Bovendien is die wet alweer wat versoepeld: sinds 2007 mogen kinderen vanaf 13 op zaterdag en vrije dagen van school maximaal 7 uur per week werken.

Bij gebrek aan een grote beweging wordt ook in 'lagelonenlanden' op kleine schaal actie ondernomen - door aloude vakbonden. In de fabrieken van de Bengalese hoofdstad Dhaka gebeurt het steeds vaker. De meisjes achter de naaimachines verenigen zich, wijzen een woordvoerder aan, en worden lid van een vakbond. Samen maken ze fabrieksdirecteuren duidelijk dat ze betere arbeidsvoorwaarden eisen.

'Sinds de ramp met Rana Plaza zie je dat vakbonden steeds sterker worden', zegt Ashraf Uddin, directeur van de Bangladesh Labour Welfare Foundation. 'Dat is echt een grote verandering.'

Het versterken van vakbonden in lagelonenlanden is de enige weg om uitbuiting uit te bannen, zegt Lance Compa, onderzoeker op het gebied van internationaal recht aan Cornell University, momenteel gasthoogleraar in Leiden. 'Al het andere komt van bovenaf. Als verandering niet wordt gedragen door arbeiders zelf, zal het altijd een mislukking zijn.' Probleem is wel: in Bangladesh verdient lang niet iedereen genoeg om de vakbondscontributie te betalen.

De arbeiders moeten het zelf doen, maar het Westen kan helpen. In het Centraal-Amerikaanse Honduras hielp Compa een vakbond op te zetten in een kledingfabriek van Fruits of the Loom, een Amerikaans sportmerk. Dat werkte: Fruits of the Loom betaalt hogere lonen dan voorheen, en is zo tevreden over de uitkomst dat het kledingmerk sindsdien meer fabrieken in Honduras heeft geopend. Maar in Honduras is de sweatshopfase dan ook al half voorbij: het gemiddelde inkomen ligt hier twee keer zo hoog als in Bangladesh.

Migratie

Eigenlijk is er maar een manier om uitbuiting in sweatshops echt uit te bannen, zegt de Amerikaanse econoom Powell. 'Migratie.' Een blanco verblijfsvergunning om het werkleger in de derdewereldfabrieken naar het Westen te laten komen. 'Effectief is dat zeker. Maar ik weet het: een politiek incorrecter antwoord op slechte arbeidsomstandigheden bestaat er niet.'