BOER ZOEKT WORM

> REPORTAGE MILIEUVRIENDELIJKE MEST De milieuvriendelijke boer zit klem. Tussen milieu en milieuwet, tussen Den Haag en Brussel, tussen ammoniak en boterbloemen....

Aan tafel in de huiskamer van de boerderij van Herman Oltvoort zaten Meindert Nieuweboer (67), Jan van der Kroon (67), Chris Zeevenhooven (54) en Oltvoort (50) zelf. De boerderij stond aan de Nengersteeg, even buiten Laren, bij Lochem, in Gelderland. Buiten liepen de roodbonte koeien nog in de wei.

Jan van der Kroon had de Wet op de Bodembescherming voor zich op tafel liggen. ‘Artikel 7: Je mag de bodem niet vervuilen’, zei hij streng. Hieraan voegde Jan van der Kroon toe dat hij ‘forse studie’ had gemaakt van de Wet en zijn implicaties. Dat was nodig ook, want hij werd telkens weer geconfronteerd met een groot gebrek aan kennis over de wet. Zelfs rechters begrepen er vaak weinig van.

Meindert Nieuweboer knikte. Hij zei dat het belachelijk was dat de veeboeren in Nederland, als enige land in Europa, hun mest in de grond moesten injecteren. Dat was namelijk geen goede methode. Erger, het was een methode die rampzalig was voor de grond. Het doodde al het leven in de bodem, de wormen verdwenen en daarmee de weidevogels, het zuurstofvermogen van de grond ging drastisch omlaag en er ontstonden allerhande giftige verbindingen, waaronder lachgas.

Het was tevens slecht voor het gras, dus slecht voor de koe, dus slecht voor het vlees en de melk en dus slecht voor de mens, vatte Jan van der Kroon de rampzalige situatie samen.

De boer, zei hij, was wettelijk verplicht het milieu te verpesten.

Het injecteren van mest in de bodem heette formeel ‘het emissie-arm aanwenden’ ervan. Door drijfmest onder druk in de bodem te spuiten, werd de uitstoot van ammoniak beperkt. Ruim tien jaar geleden werd die methode in Nederland verplicht gesteld, om de kwalijke gevolgen van ‘zure regen’ te verminderen.

Meindert Nieuweboer was veehouder in Aartswoud en voorzitter van de Stichting Milieubewuste Veehouderij (SMV). Jan van der Kroon kwam uit Westwoud en hij had een agrarisch adviesbureau. Chris Zeevenhooven was de secretaris en drijvende kracht achter SMV. Hij was geen boer, maar ambtenaar bij de gemeente Arnhem. En de grote pleitbezorger van de Fir-methode.

Fir stond voor fysische ionenregulatie. Het was uitgevonden door Jan van der Kroon. Er waren in Nederland nu een paar honderd boeren die de Fir-methode in toepasten. Herman Oltvoort was er zo eentje.

‘Fir-boer is een geuzennaam’, zei Chris Zeevenhooven.

Zo zaten ze er ook bij, met z’n vieren. De vier Fir-geuzen van Laren. Een beetje verongelijkt misschien, maar vooral strijdlustig en vol goede wil. De Fir-boeren liepen te hoop tegen wetten en regels die praktische ideeën in de weg stonden. Ze moesten toezien hoe een wet die was bedoeld om de ammoniakuitstoot te beperken, een methode in de weg stond die -zeiden de Fir-boeren- de ammoniakuitstoot beperkte én ook nog eens veel beter was voor de bodem.

Hun gevecht ging over wetenschappelijke bewijzen, over Brusselse bureaucratie, over handhaving en controleerbaarheid.

Modelboeren

Zelfs op het ministerie van Landbouw gaven ze toe dat Fir-boeren doorgaans betrokken, goed-geïnformeerde agrariërs waren, die op verantwoorde wijze omgingen met dier en milieu. Modelboeren vaak. Maar wat ze deden -hun mest op ouderwetse wijze over het land sproeien-, dat mocht niet meer.

De ene dag kregen ze de hartelijke complimenten voor hun milieubewuste werkwijze, de volgende een boete van de AID. Dat is een moeilijke spagaat, zei een hoge ambtenaar op het ministerie. Dat begreep hij best.

Maar het ministerie zat zelf ook in een spagaat, zei de ambtenaar.

De Fir-methode kwam erop neer, dat op verschillende momenten minerale koolstof aan het kringloopproces werd toegevoegd. Aan het voer, aan de drijfmest. Daardoor werd de stikstof deels organisch gebonden en de uitstoot van ammoniak verminderd.

Eerst dachten ze dat Van der Kroon een soort heilige van de mest was, die iets mysterieus uithaalde met de stinkende smurrie. Toen was de Fir-methode nog een soort geloof. Maar langzaam maar zeker kwamen er aanwijzingen dat de koolstofbinding werkte. Het gras op de Fir-boerderijen was minder dik, er stonden opeens weer boterbloemen in de wei, de loodzware loonwerkerstrekkers reden de grond niet meer dicht en –misschien wel het opmerkelijkst- de boeren hoefden veel minder kunstmest te gebruiken.

En, zeiden de Fir-jongens, er was ook geen enkel bezwaar meer de mest net als vroeger gewoon over het land te sproeien. De ammoniakuitstoot ging er niet door omhoog, beweerden ze.

Herman Oltvoort gebruikte trouwens helemaal geen kunstmest meer en toch leverde zijn land even veel gras op als voorheen. Het krioelde in de grond ook weer van de wormen, terwijl die voorheen bijna weg waren.

‘Héél belangrijk, wormen’, zei Nieuweboer. ‘Es-sen-tieel. Bijvoorbeeld voor de afwatering.’

‘Zie je ook weer meer vogels op je land, grutto’s bijvoorbeeld?’, vroeg Chris Zeevenhooven aan Herman Oltvoort. Die vogels zouden namelijk op de wormen moeten afkomen.

Nee, dat was Oltvoort nog niet opgevallen. Herman Oltvoort was een aardige Achterhoeker, die geen zin had de dingen mooier voor te stellen dan ze waren.

Herman Oltvoort had al twee keer voor de rechter gestaan vanwege de illegale wijze waarop hij zijn mest verwerkte. En onlangs was er weer een acceptgiro met een boete van 800 euro in de bus gevallen. De Algemene Inspectie Dienst AID was onverbiddellijk, Oltvoort werd geacht zijn Fir-mest gewoon ónder de grond te stoppen, en niet eróp te sproeien.

‘We hebben het hier eigenlijk over een heel ouderwetse manier van veeteelt’, zei Chris Zeevenhooven. ‘Een bijna gesloten systeem.’ Het ging, zei hij, over het terugbrengen van balans.

Maar waarom gebeurde dat dan niet, liefst op grote schaal? Het leek erop dat Arcadië weer binnen bereik was.

Volgens de Fir-geuzen lag het aan de onwil van het ministerie om onderzoek te doen naar hun methode. Minister Veerman was volgens Zeevenhooven afspraken daarover niet nagekomen. Er was sprake van congsies, zei Jan van der Kroon. Jongens van de Universiteit van Wageningen en het ministerie die elkaar het balletje toespeelden en het beschikbare onderzoeksbudget opsoupeerden.

Chris Zeevenhooven herinnerde zich een bezoek aan de voormalige minister van Landbouw, Gerrit Braks. ‘Die sloeg op een gegeven moment met zijn vuist op tafel. Hij zei: één ding is me nooit gelukt. En dat is het doorbreken van de macht van de kunstmest-lobby. En dat gaat jullie ook niet lukken!’

Misschien was dat het.

Maar eigenlijk was de enige goede reden die Chris Zeevenhooven kon bedenken, de handhaving en controle van een andere vorm van veeteelt dan de traditionele.

Dat was inderdaad een deel van de waarheid, zeiden ze op het ministerie. De controle en handhaving van de mestwetten was gebaseerd op de reguliere praktijk, niet op uitzonderingen. Controle en handhaving van andere methodieken was tijdrovend en duur.

En dan was het maar de vraag of de Fir-methode wel echt werkte, onderzoek van de Universiteit van Wageningen had nog geen overtuigend bewijs opgeleverd. Als de methode goed was voor het milieu, dachten de wetenschappers, kwam dat mogelijk doordat hij gepaard ging met een milieuvriendelijker bedrijfsvoering. Bovendien líep er een groot onderzoek onder dertig boeren die andere mestverwerkingsmethoden gebruikten, waaronder de Fir-methode, in de Friese Wouden. Dat liep nu een jaar en werd in 2008 afgerond.

Als daar uitkwam dat je met een andere bedrijfsvoering en toevoeging van bepaalde stoffen de ammoniakuitstoot ook naar beneden kon krijgen, dán zou je aan wetsverandering kunnen gaan denken, zei de hoge ambtenaar.

Diana Saaman was van de Vereniging tot Behoud van Boer en Milieu (VBBM). Binnen die vereniging propageerden zo’n 110 boeren het Natuurlijk Kringloop Systeem om het milieu zo weinig mogelijk te belasten. De VBBM had juist de eerste 35 certificaten uitgereikt aan boeren die op tien cruciale punten hadden voldaan aan strenge milieunormen. Daar zaten ook boeren tussen die het FIR-systeem hanteerden, en hun mest illegaal wegsproeiden.

Het kernprobleem, zei Diana Saaman, was dat er in Nederland miljoenen dieren waren, varkens, koeien en kippen, die mest produceerden bij het leven. ‘En die kak moet ergens naar toe.’

De VBBM deed het anders dan de mannen van de Stichting Milieubewuste Veehouderij. Ze probeerde het ministerie als medestander te zien, niet als tegenstander. En de VBBM erkende ook dat het probleem dat nu moest worden opgelost, voor een belangrijk deel door de boeren was veroorzaakt. ‘Die hebben het zelf verknald’, zei Saaman. Hadden ze maar niet zoveel mest op het land moeten spuiten dat de overheid wel móest ingrijpen.

Maar Saaman had het gevoel dat er een omslag werd gemaakt. Al ging het langzaam. Als er van de 28duizend Nederlandse veehouders duizend op de een of andere manier bezig waren met nieuwe, milieuvriendelijke vormen van bedrijfsvoering, dan was het veel.

‘Natuurlijk is het beter’, zei Saaman. De nieuwe vormen, of het nou Fir-methodes waren, of Natuurlijke Kringloop Systemen of biologisch ecologisch boeren: ze zouden de boerenstand een beter imago bezorgen, tot minder klachten van burgers leiden het was in de meeste gevallen economisch ook nog lucratiever.

‘Maar’, zei ze, ‘je kent het wel: kennis, houding, gedrag, dat gaat niet automatisch. Ik weet ook wel dat roken slecht is, maar ik doe het nog steeds.’ Boeren, zei ze, waren nu eenmaal behoudend, en geschoold in de reguliere landbouw.

En dan hadden ze in Den Haag ook nog met een spagaat te maken. Ze konden daar wel van alles bedenken, maar het grootste deel van de mestregels en wetgeving over ammoniakuitstoot kwam uit Brussel. Wilde je in Nederland dingen anders doen, dan moest dat wel Brussel-proof zijn.

Dat was een geweldig circus, zeiden ze op het ministerie. Als je iets anders wilde dan Brussel voorschreef, dan moest je met zeer gedegen wetenschappelijk onderzoek aankomen. ‘We lopen aan de leiband van Brusselse afspraken’, zei een hoge ambtenaar.

Ze vonden zichzelf best flexibel, op het ministerie. Ze wilden heel graag ruimte bieden aan vernieuwing. Er was een enorme lijst van initiatieven die door het ministerie werden gesteund.

Maar het was ook een continue strijd, zei de ambtenaar.

Eigenlijk, zei hij, raakte het conflict met de Fir-boeren aan iets erg fundamenteels. Was de mens goed, dan zou al die regelgeving niet nodig zijn en konden de Fir-boeren hun gang gaan. Maar de mens was nu eenmaal slecht, en zonder strikte wetgeving lagen de landerijen binnen de kortste keren weer onder de foute stront.

Aan de huistafel van de familie Oltvoort stelden de Fir-geuzen vast dat er helaas een verschil was tussen gelijk hebben en gelijk krijgen. Maar ze waren niet van plan op te geven.

Herman Oltvoort zei dat hij aan het werk moest. Hij ging de koeien melken.