Het Centraal Planbureau (CPB) rekende uit dat het positieve effect op de overheidsbegroting uiteindelijk circa 1 procent bruto binnenlands product per jaar bedraagt. Dat komt met het huidige nationale inkomen van Nederland neer op circa 6 miljard euro. Maar die ‘winst’ geldt pas over circa vijftig jaar.
Hoe kan de verhoging van de pensioenleeftijd – lange termijn – de effecten van de kredietcrisis – korte termijn – dan toch verlichten? Daarvoor is het nodig dat zo snel mogelijk in de wet wordt vastgelegd dat de pensioenleeftijd vanaf een bepaalde datum – het CPB adviseert die niet te vroeg te prikken – met een maand per jaar omhooggaat van 65 naar 67 jaar.
Miljardenopbrengst
Stel dat het kabinet daar volgend jaar mee begint, dan gaat iedereen die na
1967 is geboren op zijn 67ste met pensioen. De toekomstige
miljardenopbrengst daarvan, onder andere door minder AOW-uitkeringen en meer
belastinginkomsten doordat mensen langer doorwerken, kan nu nauwkeurig
worden berekend.
Gebruikelijk is om zulke gegarandeerde besparingen en extra inkomsten naar
voren te halen en in te boeken in de eerstvolgende begroting. ‘De
budgettaire taakstelling voor het komende kabinet kan daardoor nu al lager
uitkomen’, zo stelt het CPB, ‘ook al worden de vruchten van het ingezette
beleid pas later geoogst.’
Daarmee vermijdt het kabinet te kiezen voor bezuinigingen, bijvoorbeeld door ingrepen in de AWBZ of de hypotheekrenteaftrek. Bezuinigen is lastig in een tijd dat het geld, zoals het kabinet zegt, ‘zou moeten rollen’.
Fiscaliseren AOW
De rekenaars van het kabinet wijzen er wel op dat het zogenoemde fiscaliseren
van de AOW – ontvangers van de oudedagsvoorziening betalen daar dan wel
AOW-premie over, nu niet – even gunstig uitpakt voor de overheidsbegroting
als de verhoging van de pensioenleeftijd van 65 naar 67.
Doordat de AOW steeds duurder uitpakt voor de overheid, staat de pensioenleeftijd al geruime tijd ter discussie. De keuze voor die leeftijd werd in 1947 gemaakt. Toen kwam toenmalig minister van Sociale Zaken en de latere premier Willem Drees met de voorloper van de AOW. Die Noodwet Ouderdomsvoorziening verving een wet van 1913 waarbij de pensioenleeftijd op 70 jaar was gesteld. In 1947 werd de grens van 65 in lijn geacht met de levensverwachting van toen – voor mannen was die circa 70 jaar.
Maar waar de pensioenleeftijd gelijk is gebleven, is de levensverwachting fors gestegen door betere arbeidsomstandigheden en zorg. Vrouwen worden nu gemiddeld ruim 82 en mannen 78 jaar. Daardoor genieten ze langer hun AOW, een groeiende kostenpost voor de overheid. Door de pensioenleeftijd te verhogen, wordt die groei in AOW-uitgaven tot staan gebracht.