‘Ik zal toch niet de enige zijn?’

Hallo, mijnheer Van Impe? Hallo?..

Ja, hallo, Lucien ja, daar spreekt u mee.

Mijnheer Van Impe, wij wilden u graag feliciteren.

Feliciteren, ja.

Wilt u niet weten waarmee dan?

Ehh natuurlijk, ja, waarmee?

Volgens onze archieven bent u de laatste schone winnaar van de Tour de France.

. . .

Mijnheer Van Impe, bent u daar nog?

Het was zoeken naar een speld in een hooiberg. Dat is alvast toegegeven. De uitkomst is arbitrair. Meer dan arbitrair zelfs. De waarheid komt uit de beschikbare archieven van deze krant en die zijn lang niet volledig. Maar de eerste nieuwsgierigheid is alvast bevredigd.

De zoektocht naar de laatste Tourwinnaar die erin slaagde nooit in een dopingschandaal verstrikt te raken, kwam voort uit onbegrip. Floyd Landis werd vorig jaar na de Tour op doping betrapt en iedereen sprak er schande van. Een Tourlaureaat gestript van zijn gele trui, dat was sensatie. Het wielrennen was nu werkelijk een verwerpelijke sport geworden. Daar viel niet langer aan te tornen.

Een paar maanden later vroeg de Tourorganisatie de gele trui terug van Bjarne Riis, nadat de Deen op televisie had toegegeven dat hij zijn zege in 1996 te danken had aan het gebruik van onder meer epo. Hij werd zelfs uit de boeken geschrapt.

Een gek mechanisme was dat. Het kwam velen hypocriet voor. In hun herinnering was nagenoeg iedere Tourwinnaar ooit in verband gebracht met het gebruik van verboden stimulerende middelen. Sommigen regelmatiger dan andere. Anderen duidelijker dan sommigen.

De wielersport was nooit geloofwaardig, maar nimmer werd daarvan een groot probleem gemaakt. Het werd geaccepteerd. Een dopingschandaal leidde tot een oprisping, een grote schoonmaakoperatie werd aangekondigd (en nooit uitgevoerd), vervolgens keerde de rust terug en deed iedereen of er niets aan de hand was.

Niemand wist immers wanneer renners logen, of wanneer ze de waarheid spraken. Dus werd hun het voordeel van de twijfel gegund en spraken ze altijd de waarheid. Kennelijk was dat genoeg om mensen te laten geloven in de oprechtheid van de topsporter. Het verleden was snel vergeten en het geheugen selectief.

Maar het verklaart nog altijd niet de huidige maatschappelijke verontwaardiging. Is het de tijd, de invloed van de Angelsaksen die cultureel verschillen van de Zuid-Europeanen, waar bedrog met de mantel der liefde werd toegedekt, of heeft de justitiële bemoeienis ermee te maken?

De conclusie blijft dezelfde. Het blinde geloof is ter ziele. De aandacht heeft zich van de bewieroking van de schoonheid van de sport verlegd naar de schandalen.

Fabian Cancellara, de Zwitserse tijdritspecialist, zei vrijdag dat hij niet graag in de schoenen zou staan van de komende Tourwinnaar. Zijn doopceel zal worden gelicht, en er zal net zo lang worden gezocht tot iets is gevonden dat een sluier legt over het succes. Welk nut dient het dan nog om je de pestpokken te fietsen voor die gele trui?

Om straks niet te worden verrast, is het alvast goed om te weten dat de internationale wielerunie (UCI) een op de drie Spanjaarden verdenkt van epogebruik. In Italië is het percentage verdachte renners 14. In andere landen zou 5 tot 7 procent sjoemelen. Dat is bij elkaar toch weer bijna een half peloton.

En als Aleksander Vinokoerov de Tour wint, hoeft helemaal niemand zich illusies te maken. Als hij wint, draagt dat niet bij aan de geloofwaardigheid van de wielersport. De voorzitter van de internationale wielerunie, Pat McQuaid, heeft het letterlijk zo gezegd. Het slaat alles.

Vinokoerov is gecast als een van de zogenoemde men in black. Dat is een elitair groepje dat uit zes tot acht renners bestaat die volgens de dopingjagers met verdachte bloedwaarden en op trainingsdagen in donkere camouflagekleding in de rondte fietsen. Ze worden met verrassingscontroles tot wanhoop gedreven, zo schrijft het script althans voor.

De wielersport had al la paloma blanca, de witte duif, de vrouw die door het peloton ging en her en der de verboden producten van Fuentes afleverde. Wat weer iets anders is dan la dama bianca, de vrouw die bij elke aankomst op haar grote liefde, Fausto Coppi, wachtte.

Die romantiek is (tijdelijk?) uit de sport verdwenen. Oude mythen bleken mooie sprookjes. De sfeer is grimmig, vijandig bijna. De strijd tussen de gebruikers en de jagers woedt hevig. Je hoort bij de goeden of de slechteriken. Daartussen zit niets.

Oude mechanismen werken niet meer. Durf deze dagen in Londen maar eens een vraag te stellen die niet doping gerelateerd is en je wordt als journalist de conferentiezaal uitgekeken. Alle helden moeten van de sokkel. De verantwoordelijken doen vrolijk aan dat spel mee.

Het is sowieso niet goed voor je conduitestaat te openbaren dat je in de Tour bent. Voor je het weet ben je de sport en jezelf aan het verdedigen. Jíj, naar de Tour, wat moet je dáár nu nog?

De renners moeten er ook aan wennen. Iets wat jaren oogluikend werd toegestaan, ook door de UCI, blijkt nu een doodzonde. Nog altijd trachten ze zich te bedienen van hun drie favoriete dooddoeners:

– Ik ben schoon, want ik ben nooit betrapt.

– Dokter Ferrari (of Fuentes, Cecchini of Conconi) is mijn trainer, niet mijn dokter.

– Doping is van alle tijden, dus waarover maakt iedereen zich druk?

Ze komen er niet meer mee weg. Geloofwaardigheid is in het peloton een kostbaar begrip geworden. Een renner kan er niet zomaar aanspraak op maken.

De criteria voor een schoon Tourlaureaat zijn daarom streng. Alles wat er zich voor 1966 afspeelde, is buiten beschouwing gelaten. Want pas in de Tour van dat jaar werden dopingcontroles ingevoerd. Zeer tegen de zin van de renners overigens. Ze vonden het een inbreuk op hun privacy. Konden zij weten dat het veertig jaar later over dna zou gaan en het peloton handtekeningen moet zetten onder nietszeggende antidopingcharters.

Louter negatieve controles zijn – ook door de inmenging van justitie – anno 2007 niet langer afdoende voor een schoon blazoen van een renner, hoewel het nog wel altijd zo in de reglementen staat. Maar de grens tussen wat waar is en wat waar lijkt, is verdwenen.

Een boze ex-ploegmaat, een ontslagen verzorger of een dokter met gewetensbezwaren is al genoeg om de geur van verdachtmaking op te wekken. Het is alvast genoeg om onze test niet te doorstaan. Samenwerken met een van de vier omstreden wielerartsen wordt – het komt de geloofwaardigheid van de sport niet ten goede – gezien als een sluitend bewijs van slecht gedrag. Zelfs jongeling Thomas Dekker ondervond hoe zwaar de druk van de publieke opinie in het hedendaagse wielrennen is.

Vinokoerov merkte het donderdagavond in Londen. Hij werd er bloednerveus van. De grote Tourfavoriet dacht te kunnen beweren dat niemand ooit een probleem van de samenwerking tussen Lance Armstrong en de omstreden Italiaanse dokter Michele Ferrari had gemaakt. Dus waarom zou het in zijn geval nu anders zijn?

‘Het is een leugen, Aleksandr’, nam Paul Kimmage, ex-renner en schrijver van het bekroonde boek Rough Ride, resoluut het woord. ‘Veel mensen hebben gewalgd van de keuzes van Armstrong.’ De stoom kwam ondertussen uit zijn oren. ‘En als jij wint, zal ik er ook van walgen. De wetenschap dat er mensen zijn die er zo over denken, laat die jou dan helemaal koud?’

Mijnheer Van Impe?

Ja.

Wat vindt u ervan dat u volgens de archieven een schone Tourwinnaar bent?

Ik zal toch niet de enige zijn. Er zijn er nog meer zeker?

Nee, volgens de overlevering niet.

Jullie hebben niemand anders kunnen vinden?

Nee, mijnheer Van Impe, sinds 1966 helemaal niemand.

. . .

De Tourwinnaar van 1976 kan er nog om lachen. Alle schandalen, alle bekentenissen: ze hebben hem niet van zijn stuk gebracht. Op de vaststelling dat hij ook geen vijanden heeft gemaakt in het peloton, en hoe slim dat tegenwoordig is, zegt de Belg dat hij altijd heel loyaal is geweest.

Wat moest hij anders? Niemand weet nog hoe je met de materie dient om te gaan. Hoe moeten de grote kampioenen worden herinnerd? Ze kunnen moeilijk allemaal net zo meedogenloos uit de boeken worden geschrapt als Bjarne Riis.

Eddy Merckx is een held in België, maar kwam zijn carrière niet zonder positieve dopingcontroles door. Voor Joop Zoetemelk geldt hetzelfde in Nederland. Hij is ‘onze’ laatste Tourwinnaar en daarvan moet iedereen afblijven, vinden velen. Wat heeft het bovendien voor zin om over de jaren tachtig te spreken?

Lance Armstrong verdient nu in Amerika als zevenvoudig Tourwinnaar miljoenen, maar is herhaaldelijk in verband gebracht met prestatiebevorderende middelen. Greg LeMond is er ook niet armer van geworden.

‘Veel mensen zeggen: ooit zal hij bekennen’, zei Armstrong onlangs. ‘Maar ik zal nooit iets bekennen. Mij zul je niet horen zeggen: ja, ik heb doping gebruikt.’

Mijnheer Van Impe, U gaat toch niet morgen iets bekennen hè?

Bekennen? Wat zou ik moeten bekennen?

Nou ja, er zijn nogal wat renners die uit de school hebben geklapt de afgelopen maanden.

U hoeft niet bang te zijn. Ik heb niets te bekennen. Ik ben altijd honderd procent tegen doping geweest.

Dan moet u een waardig Tourwinnaar zijn geweest.