976197
Demonstranten hebben zich verzameld op het Tahrir plein in Cairo, 18 februari 2011. © EPA

Paul Brill: 'Van de Arabische lente terug naar de winter'

Het lijkt erop alsof de Egyptische revolutie levend wordt opgegeten. De structurele weerstand tegen een duurzame democratisering is zwaar onderschat, stelt Paul Brill.

Hoe verdeeld het Midden-Oosten ook moge zijn, er is één overtuiging die vele politieke stromingen met elkaar delen: dat de dingen bijna nooit zo maar gebeuren en zelden zijn wat ze lijken. Er zit altijd iets achter. Of beter: iemand. Al snel wordt een complot vermoed. Beraamd door het regime. Of juist de oppositie. Het leger. De Amerikanen. De Joden.

Vandaar dat de Egyptische staatstelevisie door menigeen werd geloofd toen ze verkondigde dat gewapende koptische demonstranten een welbewuste aanval uitvoerden op soldaten die slechts de orde stonden te handhaven, én dat Amerikaanse troepen klaar stonden om de kopten op hun beurt in bescherming te nemen. Het gevolg was wat een Britse verslaggever een 'minipogrom' tegen kopten in het centrum van Caïro noemde. Toen de stofwolken optrokken in de nacht van 9 op 10 oktober, bleken er 25 doden en meer dan 300 gewonden te zijn.

Het ingewikkelde is dat de politiek in het Midden-Oosten inderdaad vaak een dubbele bodem heeft. Toen nog bijna in de hele Arabische wereld autocratische regimes de touwtjes in handen hadden, waren demonstraties zelden een spontane aangelegenheid. Ze konden alleen plaatsvinden met zegen of zelfs op instigatie van de autoriteiten. De protestbeweging in eerst Tunesië en vervolgens Egypte brak hiermee. De machthebbers werden niet alleen geconfronteerd met massale woede over de repressie en de stagnatie, maar vooral ook met het organisatievernuft van een jongere generatie waartegen ze niet waren opgewassen.

Dát maakte de eruptie van verzet zo bijzonder en wekte de indruk dat er een Arabische Lente was uitgebroken. Een lente die misschien nog wel veel regenachtige dagen zou tellen, maar die onherroepelijk naar meer vrijheid en democratie zou leiden. Je moest ook wel van ijzer zijn om niet te worden aangestoken door de geestdrift van met name de jongere demonstranten, wier vrijheidsidee duidelijk een westerse inslag had. Zeker wie, zoals ik, er persoonlijk getuige van is geweest hoe naargeestig het politieke klimaat in de meeste Arabische landen de afgelopen decennia was en hoe zeer de regio in tal van opzichten achterbleef bij de rest van de wereld, wilde maar al te graag geloven dat de bordjes eindelijk werden verhangen.

Maar ik ben bang dat de wens de vader van de gedachte is geweest. Niet dat de Arabische wereld volledig terug is bij af. Dat zo velen hun fatalisme en hun angst hebben afgeschud, blijft een factor van betekenis. En met name in Tunesië is er echt wel sprake van een noemenswaardige opklaring, al moeten we nog even afwachten wat de verkiezingen eind deze maand opleveren. Maar elders tieren de oude vormen en gedachten weer welig.

Illustratief is de aankondiging van de Saoedische koning Abdullah dat vrouwen bij de volgende lokale verkiezingen mogen stemmen. Deze stap van de voortdurend met zijn gezondheid sukkelende monarch (88) geldt al als een geweldige concessie, hoewel het stemrecht pas ingaat in 2015 en voor die tijd door zijn opvolger (ook al tachtiger) best eens zou kunnen worden herroepen. Bovendien blijven Saoedische vrouwen voor de wet onverminderd tweederangs burgers.

Regelrecht zorgwekkend zijn de ontwikkelingen in Egypte. Daar beleefde de Arabische Lente haar meest glorieuze dag toen president Mubarak het veld moest ruimen. De uitgangspositie voor verdere hervormingen leek gunstig: door af te zien van geweld had het leger het nodige aanzien verworven en afgezien van de kopten kent Egypte een veel grotere religieuze homogeniteit dan bijvoorbeeld Syrië.

Maar de structurele weerstand tegen een duurzame democratisering is zwaar onderschat: de economische achterstand, die door een volkszege op het Tahrirplein niet ineens wordt goedgemaakt; de wijd verbreide ongeletterdheid (een kleine dertig procent van de bevolking is analfabeet); de corruptie waarvan het bestuur op alle niveaus is doordrenkt; het leger dat enorme privileges en rijkdommen verdedigt; het gebrek aan ervaring bij de nieuwkomers in de politieke arena; en toch ook de religieuze ressenti die maken dat menig moslim ontvankelijk is voor de door extremisten ingefluisterde notie dat de kopten eigenlijk een vijfde kolonne vormen.
 
'Er valt moeilijk aan de indruk te ontkomen dat de Egyptische revolutie levend wordt opgegeten', schreef Midden-Oostenkenner Thanassis Cambanis, die de gebeurtenissen ter plaatse volgt, deze week in The Atlantic. Terwijl de oppositie nog stage loopt in de politieke arena, heeft de Militaire Raad de afgelopen weken de gehate noodtoestand goeddeels verlengd, eenzijdig de uitgangspunten voor een nieuwe kieswet bepaald, de beoogde presidentsverkiezingen voor onbepaalde tijd uitgesteld en de mediacensuur heringevoerd. Dit heet Mubarakisme zonder Mubarak.

Paul Brill is redacteur van de Volkskrant.