1527760
Lijsttrekkers Diederik Samsom (PvdA), Mark Rutte (VVD) en Emile Roemer (SP) tijdens het verkiezingsdebat van de NOS © ANP

'Erger dan de schijn van objectiviteit is het paternalisme van de factchecker'

COLUMN Kranten en televisieprogramma's presenteren hun factcheckers met trots, alsof ze een ongekende dienst bewijzen die, o ironie, de rest van de redactie niet levert, schrijft columnist Nausicaa Marbe. 'Maar hoe goed is zo'n factchecker zelf?'

 
Kan een essay van Hafid Bouazza worden gecheckt door een cijferfluisteraar?
 
Ha, kale cijfers. Zodra die zich laten gelden, als hoeder van objectieve waarheden en metgezel van obsessieve factcheckers, weet je dat de blik op de wereld verschraalt.

Hoe goed is het debat, vroeg deze krant zich maandag af. Eerst werd Nel Ruigrok opgevoerd, wetenschapster bij de Nederlandse Nieuwsmonitor. Rap beweerde ze dat ze als wetenschapster niets over de kwaliteit van het debat kon zeggen, omdat die niet objectief te testen valt. Met alle respect voor haar werk: met zo'n karig antwoord sla je een discussie dood nog voordat die begonnen is.

Wat is dat toch, de angst van sommige wetenschappers voor interpretatie, voor een ruimere kijk op hun metingen? Alsof een mediawetenschapper geen kwaliteitscriteria zou kunnen bedenken voor debatten. Alsof die niet tot een heldere argumentatie zou kunnen komen voor een mening die een onderwerp voor een breed publiek inzichtelijk maakt.

Ruigrok heeft een andere missie: 'Wij willen de discussie over de kwaliteit van de journalistiek voeden met wetenschappelijk onderzoek, met kale cijfers.'

Ha, kale cijfers. Zodra die zich laten gelden, als hoeder van objectieve waarheden en metgezel van obsessieve factcheckers, weet je dat de blik op de wereld verschraalt. Het bijvoeglijke naamwoord 'kaal' doet niet aan bescheidenheid. Kaal heeft de torenhoge pretentie van objectiviteit. Kaal betekent: ontdaan van meningen die feiten verdringen.

Alsof feiten op zichzelf staan, betekenisloos, contextloos. Alsof feiten niet waardevoller worden als ze beoordeeld en gewogen worden, in overdenkingen en interpretaties. Alsof ze, permanent verdwaald in een oerwoud van insinuaties, door een akela opgespoord moeten worden om rechtsomkeert te maken naar hun objectiviteit.

Factchecker
Zo'n padvinder is de factchecker. Kranten en televisieprogramma's presenteren hun factcheckers met trots, alsof ze een ongekende dienst bewijzen die, o ironie, de rest van de redactie niet levert.

Maar hoe goed is zo'n factchecker zelf? Hij of zij is niet zelden zelf ideologisch gekleurd en geneigd tot selectieve interpretatie. Die ideologische kleur manifesteert zich vooral tegenover populistische politici die ervan verdacht worden permanent leugens te verkopen. Soms ook tegen elitaire politici die boven alle feiten zouden zweven. Het is maar net welke ideologische pet de factchecker zelf op heeft.

Erger dan de schijn van objectiviteit is het paternalisme van de factchecker. Denkt hij werkelijk dat nieuwsconsumenten niet in staat zijn onwaarheden te herkennen? Denkt hij soms dat alleen zwakkeren van geest op populisten stemmen? Niet zelden beweert een factchecker dat zijn werk manipulatie ontmaskert. Maar wie meent dat in een vrije samenleving vol informatie, kiezers zichzelf niet tegen manipulatie kunnen beschermen (als ze dat al willen), heeft zelf een gekleurde kijk op de feiten. Zo bevorderen factcheck-rubrieken eerder het wantrouwen van de complotdenker, dan de verhoopte objectiviteit: iedereen bedondert u, behalve onze feiten.

Hoe goed is het debat waarin factcheckers op de loer liggen? Niet best, zou ik zeggen. 'Wie zich laat verleiden tot fact free journalism, begeeft zich op een hellend vlak', waarschuwt letterkundige Geert Buelens in deze krant onder de kop 'Hoe goed is de opiniemaker?' Maar een opiniemaker die louter onwaarheden verkondigt valt even snel door de mand als diegene die onder het mom van feitentrouw selectief met precies die cijfers strooit die bij zijn betoog passen - en de helft van het verhaal niet meldt, niet analyseert. Een goede opinie laat zich helemaal niet checken op feiten, niet omdat ze zou 'kloppen', maar omdat ze tot een verbeeldingsniveau behoort waar de statistiekenfetisjist niet bij kan.

Cijferfluisteraar
Is het denkbaar dat een essay van Hafid Bouazza over integratie of van P.F. Thomése over ironie gecheckt zou worden door een cijferfluisteraar? Onmogelijk. Niet omdat de kleine politieagenten van de percentages de fantasie missen om zo'n stuk dat met schijn en werkelijkheid speelt, te doorgronden. Maar vooral omdat daarin ongrijpbare, door ironie rakelings aangestipte waarheden schuilen - materie waar de feitenvreter indigestie van krijgt en narrig van wordt.

Je zou de beginvraag ook kunnen omdraaien: wat maakt een debat slecht? Niet zozeer de hypes, de uitvallen, de verbeten tegenspraak. Daar kunnen de poortwachters van de opinierubrieken iets aan doen door strenge selectie en regie - en velen doen dat.

Maar een debat raakt in ademnood als het niet meer mag verleiden, vervoeren, uitdagen, zoals zoveel in het leven. Als men niet meer vertrouwt op het intellect van de lezers. Als waarheid en leugen in graniet staan gebeiteld en de fantasie bij de factchecker op appèl moet.

Nausicaa Marbe is schrijfster.