Handelen met de vijand

D.G. van Beuningen, de mecenas wiens naam op het Rotterdamse museum Boijmans prijkt, handelde in de oorlog met de Duitsers....

G. van Beuningen: Roofridder aan de Maas', had uitgeverij Balans de biografie eerst getiteld. Pikant, maar niet onlogisch voor de man die het museum Boijmans niet alleen één van de belangrijkste kunstverzamelingen van Europa schonk waardoor zijn naam in 1958 uit dank aan het museum werd geplakt, maar wiens reputatie toch ook een zwarte rand kent.

En zeker: de biografie over D.G. van Beuningen die morgen verschijnt, is, aldus auteur Harry van Wijnen, 'allerminst een heldenbiografie - dan zou ik wel een ander gekozen hebben'.

'Van Beuningen was een hard ventje, hij miste het talent voor sentimentaliteit.' En vooral: 'Van Beuningen verkocht kunstwerken aan de nazi's, terwijl dat als handel met de vijand gold.' Vaak? Twee keer: één keer 526 tekeningen uit de Koenigscollectie en één keer negentien schilderijen. 'Onder een consequent regeringsbeleid en een normaal vervolgingsbeleid zou hem na de oorlog collaboratie ten laste zijn gelegd.'

Maar roofridder? 'Nee, dat wekt de verkeerde associatie'. De ondertitel is nu Grootvorst aan de Maas. Van Beuningen had volgens Van Wijnen zeker niets van doen met 'genadeloos profiteren van de oorlogssituatie', zoals bijvoorbeeld Christine Koenigs, kleindochter van verzamelaar Franz Koenigs, heeft beweerd, of anderen die stelden dat hij sympathieën voor Mussert zou hebben gehad. 'Hij was absoluut geen moffenvriend', zegt Van Wijnen. Sterker: 'Hij bood in 1940 de joodse kunsthandelaar Goudstikker aan te vluchten met een van zijn eigen schepen.'

Roofridder past echter wél bij zijn postuur van economische grootmacht. Van Beuningen wist zijn tentakels overal uit te spreiden, in de haven, in de steenkolenhandel. Hij werd directeur van de Steenkolen Handelsvereniging (SHV), kreeg zestien commissariaten, en zoals dat toen nog kon: directe politieke invloed. Hij kon in de jaren twintig het zogenaamde 'Kanalenverdrag' met België tegenhouden. En met politici die hem een dienst konden bewijzen at hij oesters.

Hij was een 'vrouwenman', met flink wat affaires en drie huwelijken, 'een liberaal van de oude stempel, in driedelig pak met horlogeketting, die nog niet wilde accepteren dat hij de oude macht kwijt was. Een type zakenman dat je nu niet meer tegenkomt.' Dat had ook voordelen: zonder Van Beuningen was nooit een Feijenoord stadion gebouwd, en samen met die andere havenbaron, Willem van der Vorm, directeur van de Scheepvaart en Steenkolen Maatschappij (SSM), werd hij dé mecenas van het museum Boijmans, dat later museum Boijmans Van Beuningen zou gaan heten.

Meesterwerken werden dagelijkse kost voor Van Beuningen. Hij bakte eieren met spek op een komfoor dat pal onder Brueghels Toren van Babel stond. En, zo snoefde hij: 'De enige Van Goyen die ik heb, hangt bij mij op de plee'.

Deze verzamelwoede - die hem 'uiteindelijk de kop zou kosten' - begon klein als liefhebberij. Hij had echter 'de juiste ogen en oren': kunsthandelaar Goudstikker en Hannema, directeur van het Boijmans, zodat de liefhebber kon uitgroeien tot verzamelaar.

'Een grote kunstcollectie wordt altijd gemaakt op de schouders van de vorige verzamelaar. Die trapt een ander naar beneden en dan klimt hij omhoog. Wat hij als handelaar deed met ondernemingen deed hij als verzamelaar met personen.'

Zo kreeg hij als verzamelaar pas naam door het grootste deel van de schilderijen van de Oostenrijker Auspitz te kopen, die in 1929 failliet ging. Toen kwam de collectie van Franz Koenigs, die, ook al getroffen door economische ellende, in 1940 zijn zeer waardevolle tekeningencollectie kwijtraakte. Klapstuk voor Van Beuningen was dat hij drie dagen voor de oorlog de eerste belangrijke Jan van Eyck, De drie Maria's bij het graf, binnen Nederlandse grenzen wist te krijgen. En er waren natuurlijk de twee 'Vermeers', die later vervalsingen door Van Meegeren bleken te zijn - en een aderlating van enkele miljoenen betekenden.

Het 'landsbelang' was een geliefde term in zijn aankoopargumenten, en iedereen was het met hem eens: 'In al zijn doen en laten heeft de Heer van Beuningen zich laten leiden door zijn liefde voor ons nationale kunstbezit', schreef de Stichting Nederlands Kunstbezit in 1947, en al eerder had de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen die woorden gebruikt.

Maar de ambtenaren jubelden voor niets. Van Wijnen, voormalig redacteur bij NRC Handelsblad, bijzonder hoogleraar persgeschiedenis, biograaf van prins Bernard, had toegang tot nieuw bronnenmateriaal. Zo vond hij voor de affaire rond de Koenigscollectie, waaraan hij een commentariërend hoofdstuk wijdt, de 'smoking gun', in Washington: de correspondentie tussen schoonzoon Lucas Peterich en de Duitse museumdirecteur Hans Posse.

Het maakte een reconstructie mogelijk van de verkoop van de Koenigstekeningen van Van Beuningen aan de Duitsers, waarvan onlangs nog een aantal in de Oekraïne opdook. Misverstanden bleven er immers: zo schreef Albert Elen, conservator van het Boijmans, onlangs nog dat het hier om geroofde tekeningen ging.

Dat is niet het geval: ze zijn vrijwillig verkocht door Van Beuningen. Sterker: hij wist al vóór de aanschaf dat hij een deel ervan wilde verkopen, en kende Hannema hierin. 'Misleiding van Koenigs en van Van der Vorm', noemt Van Wijnen de acties. Want toen bekend werd dat de Lisser & Rosenkranz-bank, waar Franz Koenigs zijn collectie aan verloren was, de tekeningen wilde verkopen, benaderde Hannema zowel Van der Vorm als Van Beuningen om de enorme collectie 'te behouden voor het land'.

Van Beuningen wist Van der Vorm eruit te werken, en kocht op 10 april 1940 voor de spotprijs van één miljoen de collectie voor zichzelf: ruim vier keer minder dan de verzekerde waarde. Dit was mogelijk, zo ontdekte Van Wijnen in de archieven, doordat Van der Vorm 'in een zakelijke afhankelijkheidsrelatie met Van Beuningen stond: zijn ''onafhankelijke'' bedrijf SSM bleek een geheime dochteronderneming van de SHV te zijn. Hij was Van Beuningens ondergeschikte: een tot nu toe onbekend feit in de Koenigsaffaire.'

Van Beuningen gaf gelijk - tegen de afspraak in - 'bedekte signalen' aan insiders dat hij tekeningen wilde verkopen. De Duitse kunsthistoricus Hans Posse - ook wel 'het fatsoenlijke gezicht van het Derde Rijk' genoemd - was in Nederland met de bedoeling kunst bijeen te garen voor het Führermuseum in Linz, 'met een bijna oneindig aankoopbudget'. Hij was zeer happig op het Duitse deel van de Koenigscollectie: Holbein, Dürer.

Van Wijnen: 'Van Beuningen wist dat hij iets onoorbaars deed. Zelf blijft hij heel bewust onzichtbaar, het spoor mocht niet naar hem terugleiden'. Zonder zichzelf als verkoper te openbaren had Van Beuningen zijn schoonzoon Lucas Peterich als onderhandelaar gestuurd naar Hans Posse: 'volledig bepakt met instructies hoe te onderhandelen met Posse'.

'Hannema en latere auteurs hebben gezegd dat hij gedwongen was de tekeningen te verkopen om de Van Eyck te kopen. Maar dat was niet het geval. Het geld voor de Van Eyck blijkt hij uit de kas van zijn eigen Steenkolen Handelsvereniging te hebben genomen. Tot nu toe wist niemand waarom hij in 1941 ontslag nam. Dat was omdat deze verduistering bij de boekhouder aan het licht was gekomen.'

'Winst was het motief voor de verkoop van de Koenigstekeningen. Hij had namelijk niets met tekeningen.' Posse bleek bereid veel te betalen: voor 1,4 miljoen gulden verkocht Van Beuningen 526 tekeningen, twee keer zoveel als gepland, eenvierde van de collectie. Van Beuningen maakte vier ton winst, maar richtte 'onherstelbare verminking van de collectie aan'. Op de dag dat het geld werd overgemaakt schonk hij 'de restant van de collectie' aan het Boijmans en iedereen prees hem als weldoener.

Dat betekent volgens Van Wijnen echter niet dat de claim op de Koenigscollectie van Christine Koenigs klopt. Van Wijnen volgt het advies van de Restitutiecommissie. Wel stelt hij dat 'de handelingen van Van Beuningen niet door de beugel konden': 'Ook al was het voor Van Beuningen logisch om te handelen met Duitsland - dat was al decennia zijn economische achtertuin - en ook al begonnen de onderhandeling met Posse al vóór de oorlog: met het bombardement op 14 mei is een grens getrokken. Dit was handelen met de vijand, en dus collaboratie. Als koopman had Van Beuningen succes, als Nederlands staatsburger is hij over de schreef gegaan. Hij is daarvoor niet gestraft.'

Van Beuningen had zelfs geluk: hem werd in 1946 gevraagd lid te worden van de Stichting Nationaal Kunstbezit. Dit was de commissie die de in oorlogstijd geroofde kunst mocht verdelen over de Nederlandse musea. En toen hij eenmaal lid was, had hij er zelf flink voordeel van. Negentien topschilderijen uit zijn collectie werden in Duitsland teruggevonden. Van Wijnen: 'Een pakketje met een touwtje erom heen. Compleet met de Tintoretto en de Watteau.' Ze waren niet geroofd, maar verkocht. Het was zijn tweede daad die je als collaboratie zou kunnen kenschetsen.

Voor de zeer prijzige aankoop van de valse Vermeer Het Laatste avondmaal had hij deze negentien schilderijen moeten verkopen, wederom aan Posse, wederom via Peterich, wederom met medeweten van Hannema. Hij kreeg er maar liefst 1,6 miljoen gulden voor. Nu kon hij, op advies van de commissie, de werken terugkopen. 'Dat de Nederlandse regering Van Beuningen deze doeken na de oorlog ongestraft voor iets meer dan drie ton liet terugkopen, is niet te begrijpen', zegt Van Wijnen. Het toont volgens hem de strooplikkerige kunstwereld van toen. 'Iedereen praatte hem naar de mond.'

De eerste jaren na de oorlog werd er immers flink afgerekend. Hannema werd wegens collaboratie veroordeeld omdat hij onder andere vertegenwoordiger van de Duitse musea in Nederland was geworden. En: 'De grote jongens ontsprongen de dans. Op last van de geallieerden, die de kopstukken bij de wederopbouw wilden gebruiken, is gesommeerd het onderzoek naar Van Beuningen te staken.'

Niemand zei er iets over na de oorlog, zegt Van Wijnen. 'Maar het is hem door velen nagedragen. De gedupeerde havenbaron Willem van der Vorm keerde zich nog in 1956, een jaar na de dood van Van Beuningen fel tegen huldiging. Ook Rotterdamse zakenfamilies als Mees en De Monchy schamperden bij de naamgeving aan het museum dat er te veel associatie was met oorlogshandel. Maar het werd niet naar buiten gebracht. In Rotterdam houdt men de vuile was graag binnenskamers. Nu er een algemene belangstelling voor roofkunst heerst en voor alle aspecten die daar in de verste verten mee te maken hebben, dient ook deze kwestie tegen het licht te worden gehouden.'

Dus: is op basis van Van Wijnens onderzoek de naam Van Beuningen zo beschadigd, dat die niet meer bij het museum past? 'Nee, dat vind ik niet. Ik verontschuldig niks, maar je kunt de zaken niet isoleren. Neem de verkoop van de negentien schilderijen: als je alle feiten beoordeelt dan zie je dat een hele grote groep belanghebbenden hem in deze positie heeft gemanoeuvreerd: de kunstwereld vroeg hem immers de ''Vermeer'' te behouden voor het land. Ik kan me wel voorstellen dat er een debat over ontstaat. Herwaardering in de geschiedenis gebeurt immers regelmatig. De Stalinallee is er er ook niet meer. Natuurlijk kan je een economisch delict niet met een oorlogsmisdaad vergelijken: maar het zit in hetzelfde palet.'