Wie geen bridgen heeft geleerd, heeft slecht voor zijn oude dag gezorgd

IN DE OORLOG begonnen de bridgeclubs vroeg wegens het slechte vervoer en de avondklok, maar sommigen speelden daarna thuis tot 's morgens zeven uur door....

André Boekhorst, zeventien jaar bridgemedewerker van de Volkskrant, overleed in juni kort na het (tijdens zijn ziekte) schrijven van Van smoking tot spijkerbroek - 65 Jaar bridge in Nederland. Hij werd 61 jaar. De dag voor zijn dood werd hij nog voorzitter van de European Bridge League. Al in 1960 zat hij een commissie jeugdbridge. In 1969 werd hij kampioen van Nederland. Lang was hij bestuurslid. Zijn voorzitterschap betekende een opmars naar de honderdduizend georganiseerde bridgers. Hij heeft het passeren van die grens niet meer kunnen meemaken.

Uit het boek blijkt niets van vermoeidheid en verzwakking. Boekhorst was 'als een wandelende zon' en 'hij bestreed te vuur en te zwaard de alledaagsheid', aldus de bewerker van het boek Daniël Valk. Inderdaad, hij was zo'n goede en humorvolle stilist dat hij van menig bondsbericht of verplichte lofzang op een noeste werker nog iets aardigs wist te maken. In het boek citeert hij ruim en treffend uit 65 jaar bondsbladen en geeft beroemde en vele minder beroemde spellen. De nadruk ligt - het was te verwachten - wat meer op besturen dan op topspel. Historie en sociologie van het Nederlandse bridgeleven krijgen liefdevolle aandacht, maar de vele - ook recente - ruzies worden allerminst bemanteld. Zoals de in een wankel compromis gesmoorde burgeroorlog om het wel of niet roken. En voor het eerst wordt duidelijk hoe en waarom de Nederlandse Denksport Federatie zo'n koddig fiasco werd.

Sfeervol wordt het ontstaan van de bridgebond (daarna pas kwamen de clubs) beschreven. Het is vooral het initiatief van de erudiete en milde infanteriekolonel A.J.E. Lucardie, die in 1930 de bridgers van sociëteiten en dure hotels bundeldt. Ook de (internationale) eenheid van spelregels en telling wordt tot stand gebracht.

Lucardie moet telkens veel strijd sussen, zoals die van hoofdredacteur Haremaker van het bondsblad, die fanaat campagne voert tegen biedconventies. Geen geringe zaak. In vroeger tijden werd het doubleren al onfatsoenlijk gevonden, ook het informatiedoublet. Na rondpassen moest 'gesjoemeld' worden. Andere bestuursleden willen het bieden wèl moderniseren. Maar Utrechtse studenten maken het toch te bont. Zij bieden op tweehoogte met een vijfkaart en maximaal zes honneurpunten. (Partner moet dan altijd passen.) Deze vroege en radicale zwakke twee mag niet.

In 1931 eindigt het eerste grote toernooi (er zijn 44 tafels, maar er komen meer dan honderd paren) in gemopper omdat het lang duurt en de krachtsverschillen dermate hoog zijn dat alleen een grote zwieper tegen knoeiers de uitslag beïnvloedt. Chef en denkhoofd George Borel, beschermd door Lucardie, zet door en vindt een voorloper van de board uit, waaraan elastiekjes te pas komen. Deze aparte man verwierf in 1926 het patent op de bajonetsluiting van de manchetknoop.

Overigens begint meteen al het gedonderjaag over de schaarse plaatsen in vertegenwoordigende teams, iets dat later, in 1988, zelfs aan de rechter wordt voorgelegd. In de jaren dertig domineren de gebroeders Goudsmit. Ze winnen nooit een toptitel, maar wel alle nationale selectiewedstrijden. Ze wijten het falen op internationaal niveau steevast aan andere paren. Boekhorst schrijft dat zij niet mochten 'bogen op een surplus aan bescheidenheid'.

Er is een verdekte strijd tussen de vele joodse prominenten en NSB'ers (of andere antisemieten). En na de oorlog is de toegang van ex-NSB'ers tot toernooien nog decennialang een probleem. Overigens zouden de nazi's bridge rond 1940 in Duitsland verbieden, wegens 'plutocratische en joodse invloeden'. Ook in communistische landen is het spel lang taboe geweest, terwijl Mao in China bovendien go en mah-jong verbood. Zulke spelen leiden maar af van het Hogere.

In Nederland wordt de calvinistische weerzin tegen het prentenboek van de duivel pas in de jaren tachtig goed overwonnen. Bridge wordt laat toegelaten tot de Nederlandse Sport Federatie, waarna de bond moppert over de reclame die de NSF slechts maakt voor wat bridgers 'de zweetsporten' noemen (zou bij schakers en dammers vaker het koude zweet uitbreken?).

Op eigen kracht wordt de bridgebond verreweg de grootste denksportbond, terwijl de popularisering ook geld opbrengt via 'bridgetoerisme' (met veel advertenties in het rijke bondsblad). De drempel voor het mooiste, maar ook ingewikkeldste kaartspel ligt van nature wat hoger, maar de successen van een televisie-cursus en de voortreffelijke serie Van start tot finish (Sint en Schipperheyn) zijn groot.

Vreemd is dat niet. Juist ook een groot propagandist als Boekhorst wist een enorm voordeel van bridge uit te buiten. In een vergrijzende samenleving houdt het spel niet alleen de hersencellen actief - dat doen andere denksporten niet slechter - maar het is vooral een sociaal spel, ideaal voor de wat eenzamen. Het is gezellig en nogal wispelturig. En minder wreed dan schaken.

'Wie niet de moeite heeft genomen bridge te leren, heeft slecht voor zijn oude dag gezorgd', zei medisch hoogleraar Jan van Ree. Vooral voor ouderen is echter een nadeel dat de clubs nogal streng gereglementeerd zijn ('arbiter') en dermate tempo afdwingen dat er na een spel geen tijd is voor een kleine nabeschouwing. Zulke maniakale belangstelling voor het horloge doet toch eerder aan de transpiratiesporten denken.

Desondanks hebben Boekhorst en zijn mensen de clubs (over)vol gekregen. Dat wordt begrijpelijker uit dit overzicht waarin alle nijd en strijd, eerzucht, humor en spelvreugde rijkelijk en meeslepend zijn bijeengebracht. Het boek is het waardige, èn zonnige, afscheid door een groot man. En voor iedereen die wel eens een hachelijke 3 SA probeert, een must.

Jan Joost Lindner

André Boekhorst: Van smoking tot spijkerbroek - 65 Jaar bridge in Nederland.

Tirion; ¿ 39,50.

ISBN 90 5121 606 8.