Weggedoken onder de lakens Bert Weijde bericht ontroerend over zijn vak: verpleegde in een inrichting

Het zijn niet de kinderachtigste schrijvers die kierewiet en wel de Valeriuskliniek in Amsterdam van binnen zagen. De huisknecht Jan Arends heeft er gezeten....

Zes jaar daarna werd Jan Hanlo per ziekenwagen bij de instelling afgeleverd, waarmee er een eind kwam aan de opzienbarende wandelingen (in achterwaartse richting, met borende blik en rozenkrans) van deze leraar Engels. In de onvoltooid gebleven en postuum uitgegeven schets Zonder geluk valt niemand van het dak (1972), denkt Hanlo met huiver terug aan de strenge kuur waaraan hij onderworpen werd. Tegenstribbelende kinderen sleur je toch ook niet dag na dag naar de tandarts, hoe rot en pijnlijk hun gebit ook is.

Bert Weijde (1932-1986) kan aan het rijtje schrijvende Valerius-gangers worden toegevoegd. Zijn levenswerk Onder het ijs bevat het dagboek dat hij in 1961-'62 bijhield als psychiatrisch patiënt in Amsterdam en later Wolfheze, aangevuld met 'Dromen en monologen'. Het boek is bezorgd door Frida Vogels. De uitgever is zo vriendelijk op de flap te verklappen dat Bert Weijde onder de naam Frans optreedt in Vogels' cyclus De harde kern. Hij is de geestelijk onevenwichtige die zijn ramen met papier had dichtgeplakt, opdat de meeuwen niet met hun felle prikoogjes naar binnen zouden gluren. Aan het eind van De harde kern deel drie (boek twee), zegt Frida haar oude vriend op zijn sterfbed toe uit zijn papierboel een boek samen te stellen en dat te publiceren.

Die schuld is nu ingelost, kort nadat Vogels haar eigen levenswerk de wereld heeft ingestuurd. Een en ander zorgt voor de merkwaardige ervaring het debuut te lezen van een inmiddels overledene die je toch bekend voorkomt, dank zij de minutieuze beschrijving van een ándere oudere debutante.

Ook om buiten-biografische redenen is Weijde's boek niet een complete verrassing. Vergelijkbaar met de ik-figuur van Jan Arends' monumentale monoloog 'Keefman' (1972), voelt ook Bert Weijde zich bij tijd en wijle een eenling te midden van échte gekken die boerend, winden latend en rochelend het leven 'op zaal' tot een bezoeking maken. Net als Achterberg overkwam, wordt Weijde ten toon gesteld aan een professor en een meute witgejaste studenten, een vernedering die hem nog kopschuwer maakt dan hij al was. En net als Hanlo is Weijde dikwijls opmerkelijk goed bij machte zijn eigen problematische situatie in woorden te vangen. Zó gek is hij inderdaad ook weer niet.

Dat Weijde zijn ontslag uit de kliniek Wolfheze in augustus 1962 zelf bewerkstelligd heeft, zonder professionele hulp, is een buitengewone prestatie. De triomf die spreekt uit de verontschuldiging aan het adres van zijn 'geachte dokters' dat ze helaas niets meer voor hem kunnen doen, is niet minder dan zijn redding geweest. In De harde kern zegt Frans het met zoveel woorden tegen Frida.

De lezer van Onder het ijs begrijpt goed dat Weijde zijn hoogstpersoonlijke geschrift niet van kop en staart heeft kunnen voorzien. Een uitgebalanceerde literaire compositie zou welhaast hebben gevloekt met Weijdes kortademige, neurotische stijl. Met zijn kokerblik verliest hij zich voortdurend in details. 'Ik moet orde in mijn bestaan brengen,' noteert hij op 22 november 1961. Veel meer houvast dan zo'n formule had hij niet. Zijn testament bestaat uit ongevormde flarden. Geen artistieke verfraaiing, geen 'poëzie'; de eis van authenticiteit heeft Weijde in een vaste greep, evenals zijn vrienden J.J. Voskuil (die duikt hier op als M.) en Frida Vogels. Hoeveel onzekerheden Weijde ook kende, aan de principiële opdracht dat men zijn hardste waarheden niet hoort te verzachten maar juist dient uit te benen, heeft hij nooit getwijfeld.

Vóór zijn dertigste verruilt Weijde het maatschappelijke (hij was kortstondig onderwijzer en hield het ook op kantoor niet vol) voor het bedlegerig leven van patiënt: 'Het is een vak verpleegde te zijn in een inrichting.' Hij wordt belaagd door achterdocht, lijdt aan dwanggedachten en is seksueel geremd. 'Ze hebben het op mij gemunt,' geeft hij een arts als verklaring voor zijn vrijwillige opname - al kun je erover twisten hoe vrij zijn wil was.

Het op die opname volgende dagboek is pijnlijk, bij vlagen lachwekkend en het best leesbare deel. In de honderdtwintig bladzijden 'Dromen en monologen' die hij als vrijgelatene wrocht, is Weijde dermate rusteloos en in zichzelf gekeerd dat de lezer onvoldoende gelegenheid krijgt, 'contact te maken'. Het is de botsing in het 'Psychiatrisch dagboek', de wrijving tussen Weijde en alle lui op zo'n luidruchtige zaal (mede-patiënten met hun eigenaardigheden, doktoren, zusters, broeders, bezoek van familie of van een dominee die een arm zieltje hoopt te winnen) die Onder het ijs tot een document uittilt dat niet alleen als verplicht nummer op de literatuurlijst van zieleknijpers-in-opleiding geplaatst moet worden.

Geen moment wordt de verlegen Weijde onbewaakt gelaten. De broeders deinzen er zelfs niet voor terug de wc-deur open te rukken om hem te betrappen op het roken van een clandestien sigaretje. Het eten is vies (dat vond Keefman ook: 'Varkensvreten, dat is het. En dan al die oude vieze schooiers waar je mee aan tafel zit'). De chique term 'arbeidstherapie' staat voor het infantiliserende wasknijpers in elkaar zetten, en als dan ook nog de radio iets van het Holland Festival door het gebouw toetert, is iedereen het erover eens dat je daar pas goed mesjogge van wordt.

Vaak zijn Weijde's notities hartverscheurend komiek. De sluwe typeringen van en dialogen met het verplegend personeel lijken soms afkomstig van een spotlustig buitenstaander. Dat is het pijnlijkste: Weijde weet wat er met hem mis is - hij is niet reddeloos krankzinnig als sommige van zijn zaalgenoten -, maar is onmachtig om zijn inertie te doorbreken. Tussen twee behandelperioden door probeert hij het een tijdje in het wild van de buitenwereld, maar durft dan nauwelijks zijn kamer te verlaten. Hij pakt de landkaart, piekerend over een reis. Eens lekker de kou in: zou Lapland hem niet goed doen? Lapland is, hij meet het na, ongeveer drieduizend kilometer. Dat betekent een dag of veertig fietsen.

Van zo'n plan spat de onhaalbaarheid af. Deze wanordelijke drommel, die al zoveel moet overwinnen als hij een bakkersmeisje om een brood vraagt, en díe zou fietsend Lapland moeten halen!

Even later ligt hij gewoon weer op zaal, ditmaal in Wolfheze, probeert te lezen (Vestdijk, Woolf, Van Schendel) boven het radio-gejammer van de Blue Diamonds uit, duikt weg onder zijn laken ('onder het ijs') en schrijft stiekem 's nachts in zijn schrift een flard pure literatuur. Over toen hij zijn bed uit was geslopen en zich posteerde achter het gordijn. Hij zag zichzelf staan, alleen met het duister. Hem schoot zelfs niemand te binnen aan wie hij zou kunnen denken. Hij zag de kreukels in zijn pyjamajas.

Een broeder ontdekte hem op zijn rondgang. Een patiënt die er vandoor wilde? 'Wat deed u daar', vroeg hij zachtjes. 'Ik heb naar de nacht gekeken', zei Weijde nog zachter terug. De broeder stelt vast dat de deur nog op slot zit. Meneer Weijde gaat maar weer onder zeil. Hij trekt de knieën op, legt de ene hand op de dij en de andere op de schouder. Alleen met zijn kussen.

Bert Weijde: Onder het ijs. Bezorgd door Frida Vogels.

Van Oorschot, ¿ 49,90 (ing.) en ¿ 69,90 (geb.).