Sterven zonder ontroering

Theater..

Haarlem Naakter kun je als actrice bijna niet op toneel verschijnen. Renée Soutendijk (52) draagt zo’n vormeloos blauw operatiehemd en op haar (voor deze rol) kaalgeschoren hoofd een pet. Als ze die wegsmijt, blinkt haar schedel in het theaterlicht. Zo zal ze in Als de dood een kleine twee uur op wollen sloffen over het podium lopen, en af en toe in een rolstoel of ziekenhuisbed kruipen om de rol te vertolken van Vivian Bearing, een gerespecteerd hoogleraar 17de-eeuwse poëzie, bij wie eierstokkanker wordt ontdekt, in terminaal stadium.

Als de podiumbrede witte gordijnen openschuiven, krijgen we doorkijkjes te zien. Korte scènes in de onderzoekskamer en flash backs over haar jeugd, haar studie en haar harde analytische houding als vrouwelijke hoogleraar die van haar leerlingen eenzelfde helderheid van geest eist.

De acteurs Sjoerd Pleijsier, Diana Dobbelman, Patrick Velleman, Gemma Hauptmeijer, Titus Boonstra en Samara Bergtop figureren slechts als aangevers (oncoloog, professor, studenten, arts-assistent en verplegend personeel). Alleen Boonstra en Bergtop kunnen meer van hun bijrolletjes maken. Bergtop als invoelende verpleegster, die niets van poëzie snapt maar alles van menselijke waardigheid. Boonstra als gretig wetenschappertje dat in zijn voormalige docente ideaal onderzoeksmateriaal ziet.

Regisseur Peter de Baan heeft sentiment vermeden. Soutendijk speelt rustig op zaal, gaat zitten, staan, liggen. Een keer rent ze kotsend af, maar dat is dan ook de meest plastische scène. Die wordt ook weer snel in een grapje gesmoord, over ziekenhuistaal. Maar echt ironisch wordt het niet.

De flash backs worden met lichte showmuziek ingezet, en de acteurs komen net niet swingend binnen. Alle aandacht gaat naar de tekst van Margaret Edson, soepel vertaald door Barbara van Kooten, waarin de analogie wordt beklemtoond tussen de klinische benadering van de medici en de harde geest van de poëzieprofessor. De chemokuren zijn minstens zo slopend als haar eigen analytische instelling.

Een komma tussen de woorden ‘leven’ en ‘dood’ in een gedicht van de Britse poëet John Donne groeit zo uit tot symbool voor het sterven. Die komma kun je kapot redeneren, maar ook met adem aandacht geven. Dat laatste blijft uit, ook in de voorstelling.

Zoals bij de doktoren de menselijke aandacht voor de patiënt ontbreekt, bij de zieke geen ruimte is voor pijn en teleurstelling, zo blijft in dit drama de ontroering uit. Dat ligt niet aan Soutendijk, maar aan het stuk. We zien de belangrijke tragiek van een patiënt die verwordt tot studiemateriaal, maar niet de tragedie van een stervende. En zonder die emoties blijft het naakt en kaal.