Requiem voor Theo Deken

Afgelopen herfst overleed Theo Deken, een van de bekendste zwervers van Amsterdam. Zelfs in de vrieskou sliep hij in zijn portiek op het Damrak....

VOOR het portiek van de Beurs van Berlage zit tegenwoordig een stevig hek. Niemand die hier 's avonds nog schuilen kan, als de regen over het Damrak veegt. Tot voor kort was dit het geliefkoosde nachtverblijf van een van Amsterdams bekendste straatfiguren: een grote, zich ietwat gebogen voortbewegende gestalte met een onverzorgde haardos, die dertig jaar lang tussen Leidseplein en Centraal Station zijn kostje bij elkaar bedelde.

Theo was de naam, en een enkele diender of heilsoldaat kende zijn achternaam: Deken. Vroeger noemde hij zich ook wel Taldick; naar de meisjesnaam van zijn moeder, die van Hongaarse komaf was. Theo droeg vreemde vodden en kon woest uit zijn ogen kijken. De meeste mensen liepen met een boog om hem heen. Maar wie hem geld gaf en een praatje maakte, keek op van zijn hoffelijke, verzorgde Nederlands, dat hij doorspekte met oudmodisch jazz-jargon: 'Het swingt hoor!'

Al enige tijd wordt zijn vertrouwde verschijning in het centrum gemist. Theo Deken overleed op 11 oktober, 61 jaar oud, in een ziekenhuisbed, nadat hij ineengezakt in een telefooncel was aangetroffen.

'Het was gewoon op', zegt zijn jongere broer Carel, een van de familieleden die nog sporadisch contact met hem hadden. 'Theo was een lieve broer, met watandere eigenschappen dan de meesten. Hij is op een humane manier aan zijn einde gekomen. Niet doodgevroren op straat gevonden, wat we weleens vreesden. Voor iemand die zo'n leven leidde, heeft hij een respectabele leeftijd bereikt.'

De begrafenis ervoer Carel Deken als een 'mooi en indrukwekkend' afscheid. Voor het eerst kwam iedereen die Theo kende samen. Aan de ene kant de kennissen van de straat, de hulpverleners die hem als verslaafde zwerver van dichtbij hadden meegemaakt. Aan de andere kant de familieleden en vrienden van vroeger, die hem kenden uit zijn veelbelovende jonge jaren, en vrijwel niets van zijn straatleven wisten.

In hun afscheidswoorden werd Theo's gebroken levensverhaal weer één. 'Een politieagent was na afloop in tranen', vertelt Carel Deken. 'Die had geen idee gehad van Theo's andere leven.' In de aula klonk muziek die Theo veertig jaar geleden schreef, toen hij als jazzcomponist een glanzende toekomst tegemoet leek te gaan. Het hoogtepunt bleek al gauw bereikt: als jong broekie stond hij in december 1962 met een eigen big band in het Concertgebouw, en kreeg hij de zaal stil met zijn weemoedige compositie Something for Billie. De live-opname van dat stuk werd nu op zijn eigen begrafenis gedraaid. 'Het klonk nog steeds ontzettend mooi', bevestigt jeugdvriend Hans Dulfer, die als 22-jarige beginner in het orkest zat. De saxofonist was tijdens de begrafenis in Japan, maar kreeg verslag van dochter Candy, voor wie Theo nog een blauwe maandag babysitter was.

Dat moet zo rond 1970 zijn geweest, toen Deken al goeddeels uit de muziek was verdwenen. Tien jaar eerder was hij in Amsterdamse jazzkringen als een eigenaardig, maar onmiskenbaar talent binnengehaald. De basis daarvoor was eind jaren vijftig gelegd in de kelder van zijn ouderlijk huis in de Amsterdamse Concertgebouwbuurt - het onderkomen van een net katholiek gezin met twaalf opmerkelijk getalenteerde kinderen.

IN HET souterrain van huize Deken staan een tafeltennistafel (waar Carel op traint voor zijn latere kampioenstitels) en een piano. Theo draait er jazzplaten met zijn vrienden Clous van Mechelen en Hans Dulfer, met wie hij in 1957 een combo begint. Al vroeg blijkt de trompettist zijn eigen koers te varen. Hans Dulfer herinnert zich in zijn boek Jazz in China: 'Toen we onze eerste schnabbel met het kwintet kregen op het Sint Ignatius College, vertikte Theo het om mijn ideeën te volgen om ook maar één Engelse wals of foxtrot te spelen. De gevolgen waren desastreus, want de voorzitter van de schoolclub verweet mij natuurlijk dat de band Night in Tunisia speelde als er om een Valeta gevraagd werd en sloeg mij van het toneel af, toen Theo om twaalf uur het Wilhelmus als een blues inzette.'

In 1959 verzorgen Deken en Dulfer de muziek op de rumoerig verlopen Nederlandse Elvis Presley Verkiezingen (de 2de prijs gaat naar Ria Valk in cowboypak) en doen ze mee aan het befaamde jazzconcours van Loosdrecht. Hoewel organisator Max van Praag Dekens zwaarmoedige composities maar niets vindt en de groep na één nummer van het podium dreigt te halen, is Deken allerminst aangedaan. Tijdens een optreden in de Amsterdamse club Sheherazade kondigt hij zichzelf aan als 'de grootste trompettist aller tijden, Theophilis Taldick genaamd'.

In dezelfde tijd verschijnen er alarmerende berichten in De Telegraaf, die na een bekentenis van slagwerker Leo de Ruiter ('jazz was mijn obsessie, marihuana mijn noodlot') waarschuwt dat Nederlandse jazzmuzikanten 'regelmatig naar Rotterdam trekken om daar tegen goed geld een blikje marihuana te bemachtigen'.

Dat lijkt Theo ook wel wat, en via Dulfer bemachtigt hij zijn eerste 'pakje gedroogde paardestront', zoals Dulfer in Jazz in China schrijft: 'Het hek was van de dam want vanaf die tijd kwam Theo bijna z'n kelder niet meer uit en begon zich onder invloed van zijn katholieke afkomst en bovengenoemde paardestront volledig op de schoonheid van de Gregoriaanse Kerkmuziek te werpen.'

Het lijkt geen recept voor succes, maar in 1962 is Theo zo gegroeid als componist/arrangeur, dat hij zijn eigen orkest kan organiseren. De Big Ballad Boogie Blues Beat Bounce Band zit vol jonge talenten, zoals pianist Louis van Dijk, rietblazer Harry Sparnaay en bassist Maarten van Regteren Altena. Dekens orkest is de uitsmijter van het jazzgala op 23 december 1962 in het Concertgebouw, en krijgt de volgende dag een lovende kritiek in de Volkskrant: 'Dit orkest heeft het publiek na de pauze een half uur in de ban gehouden met het spelen van twee composities van Taldick (Crapaud d'Amour en Something for Billie, red.). Het zijn vooral de arrangementen die opvallen, waardoor het orkest een volkomen eigen geluid heeft gekregen.'

Drummer Chris Jones, die het gala organiseerde, herinnert zich het concert nog goed: 'Something for Billie zette de zaal in vuur en vlam. Het was originele muziek met bijzondere harmonieën, die eigenlijk te moeilijk waren voor zo'n jonge band. Theo kon ze zélf ook niet goed spelen op zijn bugel.'

Harry Sparnaay heeft de jazz sinds lang verlaten, maar is Deken evenmin vergeten: 'Het was spannende muziek. Waar hij het vandaan haalde weet ik niet, maar wat hij speelde was van hemzelf. Een talent dus. Ik weet wel dat ik zijn stukken te lang vond. Hij kon er moeilijk een punt aan breien.'

Tot circa 1965 blijft de big band bestaan, en groeit in wekelijkse repetities in Felix Meritis het repertoire, met eigenaardige titels als For Stoned Only, The Morning After the Third (World War) en Requiem voor een bikini. Dulfer verliest de trompettist uit het oog wanneer deze met Clous van Mechelen in het schnabbelcircuit verzeild raakt. Als bassist begeleidt hij zangeres Rika Jansen (Amsterdam huilt) in het Rembrandtpleintheater. Van Mechelen: 'Nachtclubwerk betaalde goed en ik vond het zonde dat Theo niets te doen had. Rika Jansen zocht nog een bassist en toen heeft Theo in één week contrabas leren spelen. Een sterk staaltje, maar hij heeft zich goed gered.'

Chris Jones ziet Deken ook als congaspeler bij stripdanseressen in de Moulin Rouge op het Thorbeckeplein: 'Dan stond hij met een weidse blik achter de conga's en riep hij: yeah man, wat swingt het weer.'

OMSTREEKS 1965 vertrekt Theo voor een reis naar India, wellicht geïnspireerd door de boeken van Krishnamurti die hij in die tijd verslindt. Wat hem in India overkomt, wordt nooit opgehelderd. Maar bij terugkeer maakt hij een verwarde indruk. Hij heeft heftige woede-aanvallen, die zijn moeder bezweert door hem op te dragen de tuin te gaan omspitten - wat hij doet, soms meerdere keren per week.

Dat hij inmiddels niet alleen marihuana gebruikt is duidelijk. Carel Deken: 'Al in de eerste helft van de jaren zestig werden er spuiten in zijn bed gevonden. Zo vroeg al ja. Theo werd steeds moeilijker te begrijpen. Het orkest viel niet meer te handhaven. Om die woede uit te leven ging hij maar spitten, of juist de andere kant op: eindeloos mediteren en Gregoriaans zingen. Schilderen heeft hij ook nog een tijdje gedaan.'

Chris Jones: 'Opeens had hij een altsax. Het klinkt misschien belachelijk wat ik nu zeg, maar het was Charlie Parker in het kwadraat. Ken je de eerste vier maten van Night Time Is The Right Time, waarin Ray Charles alt speelt? Dat tot de tiende macht, zo klonk Theo. Het was haast niet te verdragen. Gillend en jankend drukte hij al zijn gevoel uit. Een nachtmerrie - anders kan ik het niet zeggen.'

Na 1970 verdwijnt gaandeweg de muziek uit zijn leven. 'Theo heeft zelf alles vernietigd', zegt Carel Deken, 'ook zijn bugel was weg.' Theo kan geen dak meer boven zijn hoofd verdragen, en wordt een van de eerste rondzwervende junks in het Amsterdamse straatbeeld. Zijn broer Carel noemt hem liever een 'bedelmonnik'.

Bij de politie en daklozenzorg wordt hij een bekende figuur, die meestal in zijn eentje rondscharrelt. 'Theo Deken was wat wij een zorgmijdende noemen', zegt George Latul van het Leger des Heils. 'Hij heeft in al die jaren geloof ik één keer bij ons overnacht. Verder zagen we hem niet.' Max Engelander, in de jaren tachtig wijkagent van bureau Warmoesstraat: 'Theo heeft nooit gestolen. Soms was het gruwelijk koud, maar vond je hem toch slapend op straat. Hij was vervuild en stond weleens te schreeuwen, maar meestal kon je een praatje met hem aanknopen. Ik denk dat hij gelukkig was, op zijn manier.'

Tot kort voor haar dood zoekt moeder Deken haar zoon regelmatig op het Damrak op, met een tas vol schone kleren. 'Die gaf hij meestal weg. Hij vond dat anderen het harder nodig hadden', vertelt Carel. 'Als we zaterdags gingen winkelen en we kwamen hem tegen, dan stelde ik mijn kinderen aan hem voor: jongens, dit is oom Theo.' Theo diepte dan wat munten uit zijn zakken op, en trakteerde op extra zakgeld.

Eind jaren tachtig figureert hij in een radio-reportage van de KRO. Op de vraag of hij geen heimwee heeft naar zijn jazzverleden antwoordt hij: 'Ik mag geen komedie spelen, maar wanneer waren de jaren vijftig ook al weer? (. . .) Het valt best mee met die feelings. Ik vind de dag van vandaag net zo interessant. De ontmoetingen op straat, de creativiteit van onverwachte antwoorden, de psychologie van de mens. . .'

Na zijn overlijden ontdekt de familie dat Theo op een spaarrekening 'een aardig bedrag' heeft achtergelaten. Carel Deken: 'Idioot toch? We erven nog van hem ook. Daar gaan we een bestemming voor zoeken. Een die Theo goed had gevonden.'