Op de loop voor kou, onheil en vervreemding in Rotterdam

Wat gebeurt er met je als je als Marokkaanse voor het eerst in Nederland komt? In Rotterdam? In de winter?...

Van onze verslaggeefster

Greta Riemersma

ROTTERDAM

Trouwens, mensen? Lopen er in Rotterdam nog mensen op straat? Je zou denken van niet. Op de foto's van Naji zie je ze als schimmen in de verte, of je bespeurt nog net hun benen, die bezig zijn de foto uit te wandelen. Op de loop voor kou, onheil en vervreemding. Waar leidt de tocht naartoe? Een café. Maar de man die zich daar ophoudt, vlucht de camera voorbij. De vrouw die zich in haar huis verschanst, heeft geen hoofd. De jongen in een gokhal heeft een vervormd gezicht. De achtergrond van neonreclame en andere felle lampen is verfrommeld, in beweging.

Alles is op drift, lijkt het, als je twee andere foto's bekijkt met een onbestemde, krioelende massa, veel zwart en een paar lichte vlekken. Een ultieme poging van Lamia Naji om de verwarring uit te drukken die haar in Nederland beving? Je zult als Marokkaanse fotograaf ook maar de opdracht krijgen van het Nederlands Foto Instituut om een beeld te geven van Rotterdam, in de hoop dat dit een andere, onverwachte visie op de stad èn de fotografie oplevert. En daarbij 'speciale aandacht' moeten geven aan de Marokkaanse gemeenschap, zoals op de expositie in het Foto Instituut wordt aangegeven.

Lamia Naji (1966), geboren en getogen in Casablanca, is niet tevreden met de foto's die ze maakte in Rotterdam, zo liet ze weten in een interview met Onze Wereld. Ze vond de Nederlandse huizen en mensen gesloten en afstandelijk. De Marokkaanse bevolking heeft volgens haar die mentaliteit overgenomen. Daarbij: 'De Marokkanen in Rotterdam komen uit een gebied dat zelfs in Marokko als achterlijk bekend staat. Ze komen uit het noordelijke Rif-gebergte. Inmiddels wonen ze een generatie lang in Nederland, maar ze hebben de mentaliteit van het Rif van twintig jaar geleden gehouden. Ze ontwikkelden zich niet. Ondertussen veranderde Marokko wel. Ik verwachtte landgenoten aan te treffen, maar vond volkomen vreemden in Rotterdam.'

Marokkaanse families die aanvankelijk wilden meewerken aan haar foto-project, zegden af. Oproepen op de regionale radio leverden één reactie op. Het beeld dat Naji in Onze Wereld schetst van haar ervaringen, verraadt bij mogelijke geportretteerden huiver voor de fotocamera - immers, zoals de expositie vermeldt: het afbeelden van personen en vooral het publiek maken van die afbeeldingen is niet gebruikelijk in de islamitische beeldtraditie. De vraag is of Naji's moeilijkheden te wijten zijn aan de Marokkanen die zij benaderde, of dat ze werden veroorzaakt door haar manier van zoeken. Want de Marokkanen in Nederland mogen, net als Nederlanders in den vreemde, vasthouden aan eigen tradities, er zijn intussen tweede en derde generaties die losser staan van hun oorsprong.

Toch zegt haar verhaal iets over de manier waarop in Marokko lang tegen fotografie is aangekeken. De gevolgen zijn tot op de dag van vandaag voelbaar. Abdelkrim Chiguer, fotografie-criticus en docent aan de universiteit van Meknès, gaf tijdens de opening van de tentoonstelling een overzicht van de ontwikkeling die de Marokkaanse fotografie heeft doorgemaakt. Een verslag van zijn lezing staat in het boekwerk dat bij de expositie hoort.

Voor Europese begrippen werd de fotocamera relatief laat in Marokko geïntroduceerd: door sultan Moulay Abdelaziz (1894-1908). Sinds de instelling van het Frans-Spaanse protectoraat in 1912 werd ze een meer algemeen verschijnsel. Meteen al tekende zich, in intellectuele kringen, een scheiding der geesten af: sommigen waren gefascineerd door de mogelijkheid de werkelijkheid exact weer te geven, anderen vonden het onjuist een portret publiekelijk te vertonen.

De Nationalistische Beweging in de jaren twintig realiseerde zich hoe belangrijk fotografie kon zijn in het streven naar een gunstig eigen imago en een sterk nationaal bewustzijn. Tijdens de strijd om de onafhankelijkheid, na de Tweede Wereldoorlog, hingen staatsieportretten van politieke leiders (koning Mohammed V), zangers en voetballers in grote aantallen in openbare gelegenheden - zoals je in het huidige Marokko de beeltenis van koning Hassan op elke straathoek tegenkomt.

Ook in kranten zijn portretten tegenwoordig gemeengoed geworden, sterker: met foto's van internationale persbureaus vormen ze het overheersende beeld. Niet dat op die portretten de 'gewone man' veel voorkomt, die laat zich in zijn 'gewone' omstandigheden nog steeds niet gemakkelijk fotograferen - althans, als de foto's bedoeld zijn voor publicatie. De opkomst en ondergang van het tijdschrift Kalima is daarvan een illustratie.

Het blad werd in 1985 opgericht en was 'een van de zeldzame experimenten die hebben geleid tot vernieuwing in de fotojournalistiek', aldus Chiguer. Maar: 'Vanwege het wisselende karakter van de getoonde problematiek, en de weerstand van mensen tegen de aanwezigheid van de fotocamera, waren de fotografen vaak verplicht hun taboe-onderwerpen in scène te zetten (prostitutie, polygamie, slavernij, enzovoort)'. Binnen twee jaar hield het tijdschrift op te bestaan.

Chiguer meent dat de 'afwezigheid van een verbeeldingsvolle geschreven pers' in Marokko gevolgen heeft voor alle takken van fotografie: die kunnen volgens hem onmogelijk ingeburgerd raken en zich in verschillende richtingen ontwikkelen. Dat klinkt pessimistisch, toch noemt hij een aantal initiatieven die hoop geven voor de toekomst van de Marokkaanse fotografie. In 1974 verscheen Grains de peau van Mohamed Benaîssa. Het was het eerste fotoboek met een 'artistieke dimensie'. Alledaagse, onbelangrijke details van het leven in Asliha, Benaîssa's geboortestad, waren erin tot onderwerp verheven.

Van twee andere Marokkaanse fotografen die van zich lieten spreken, hangt eveneens werk in het Foto Instituut in Rotterdam. Wie ze bekijkt zou bijna Chiguers lichtelijk sombere toon vergeten. De foto's van Daoud Aoulad-Syad (1953) zijn een ode aan het alledaagse Marokko, zoals al bleek uit zijn boek Marocains, dat hij in 1989 publiceerde. Het werk dat op de tentoonstelling hangt is meer van hetzelfde, maar in positieve zin.

Hier geen standaard-portretten, maar olijke of boze vrouwenogen onder een hoofddoek, de peinzende, stoere of verbaasde blik van een man. De fotograaf heeft met liefde gekeken naar het haar van een kind dat in geen jaren lijkt gekamd, naar de mannen die op elkaar geperst in de laadbak van een vrachtwagen over een lege weg denderen, naar de vrouw die eten kookt, naar de kinderen die op plastic sandalen spelen met een fietsband. Hij heeft niet alleen mensen, maar ook schapen, bussen, vissen en sobere flatgebouwen van Marokko gedocumenteerd.

Het is opvallend dat Aoulad-Syad, evenals Benaîssa vóór hem, is gelukt wat bijvoorbeeld de makers van het onfortuinlijke tijdschrift Kalima niet lukte: op onafhankelijke wijze doordringen tot de ziel van Marokko. Beide fotografen hebben lange tijd in het buitenland doorgebracht. Wellicht heeft het hun lef en een manier van werken gegeven die nodig zijn om in Marokko de angst voor de fotocamera van een vreemde weg te nemen.

Ook Touhami Ennadre (1953), de andere fotograaf die in het Foto Instituut exposeert, woont en werkt buiten Marokko. Alleen in foto's met een vrijwel onherkenbare brij van licht en donker zijn soms Arabische tekens te ontwaren, of typisch Moorse architectuur. Verder bezingt hij met subtiele schaduwen de poëzie van het menselijk lichaam: de rug van een man of vrouw, de geplooide huid als een gordijn over het skelet gedrapeerd; twee eindeloos gebarsten voeten en handen, die een arbeidzaam leven in een droog land verraden. Zelfs een pasgeboren baby lijkt een fossiel, aangetast door ouderdom. De huidplooien worden veroorzaakt door molligheid, de versteende aanblik door bloed en smeer.

Lamia Naji was een half jaar buitenlander in Nederland. Haar lukte het niet in contact te komen met de Marokkaanse gemeenschap in Rotterdam. Toch liet ze op haar foto's sporen na van haar land: versteende Arabische tekens op een dressoir, de contouren van een Marokkaanse theepot achter een gordijn, een onherkenbare vrouw in kaftan, een onherkenbare Marokkaanse man in een café. Verder is het koud, nat en kil op haar foto's. Als je ze ziet, wil je maar één ding: afreizen naar Marokko, naar de zon.

Foto's van Lamia Naji, Daoud Aoulad-Syad en Touhami Ennadre in het Nederlands Foto Instituut in Rotterdam, tot en met 12 mei. Werk van Lamia Naji is tijdens de zomer te zien in het Solomon R. Guggenheim Museum in New York.