Niet pluis

‘Ik ben natuurlijk een beetje een autist’, zei de jongen op tv, gefilmd op school. ‘Goed in getallen hè. Dol op lijstjes.’ De sluikharige jongen met sikje, perfect nonchalant gekleed, leek niet gebukt te gaan onder zijn kwaal....

Iedere tijd heeft zijn modeziekte. Dyslexie en ADHD zijn, nu halve schoolklassen eraan lijden, te gewoontjes; het moet Asperger zijn, of PDD-NOS. Autisme is hip. Nou ja, niet écht autisme natuurlijk, dat is een verschrikkelijke, beperkende aandoening, maar ‘iets in het autistisch spectrum’. Vooral de Asperger-variant is hot. Op gymnasia stikt het van de hoogbegaafde aspies. Universiteiten constateren jaarlijks een verdubbeling van aspie-studenten, echte, met diagnose.

Toch maar een testje ingevuld, van expert Simon Baron-Cohen . En ja hoor, het staat er: ‘Uw score is hoog.’ Ook ik heb het dus. Ik ben licht motorisch gestoord, werk graag alleen, en houd niet van onverwachte gebeurtenissen of spontaan bezoek.

Voor de zekerheid kijk ik op de checklist van DSM-IV, het officiële psychiatrische handboek. Ook daar moet ik de meeste kenmerken aanturven – al iets minder prettig. Zou het dan toch ? Waarom kijk ik mensen eigenlijk nooit recht aan en onthoud ik gezichten slecht? Zo gaat dat met diagnosen, zelfs die van een internettestje: ongemerkt ga je ernaar staan. Had ik die test maar niet ingevuld. Ik heb nergens last van. Iedereen valt wel in een of ander ‘spectrum’.

Onlangs werd een test ontwikkeld, de ESAT-test, waarmee je autistische kenmerken bij 1-jarigen kunt opsporen. De makers willen dat de test op alle consultatiebureaus wordt afgenomen bij dreumesen bij wie artsen een ‘niet-pluis-gevoel’ hebben. De gedachte is: hoe eerder je erbij bent, des te beter je ouders en kind kunt begeleiden. Voor ernstige gevallen van autisme gaat dat ongetwijfeld op. Maar vroege stigmatisering is ook gevaarlijk. Het ‘autistisch spectrum’ is een gulzige categorie.

In een enquête van vakbond CNV en het tv-programma Rondom Tien zegt de helft van de leraren last te hebben van kinderen met een ‘label’. Maar waarom zitten er steeds meer gelabelde kinderen in hun klassen? Volgens de leraren krijgen kinderen te veel ‘prikkels’.

Dat lijkt mij onzin. Waar komt toch de mythe vandaan dat kinderen behoefte hebben aan ‘rust’? Een kind heeft veel prikkels nodig om zich te ontwikkelen. Maar het vraagt tegelijk om grenzen, om impulsen te leren bedwingen. Voortdurend grenzen aangeven is vermoeiend voor ouders en veroorzaakt werkdruk voor leraren. Dus dan maar liever een diagnose, met deftig etiket. Zo’n etiket wekt weer de verwachting dat het kind ‘moeilijk’ zal zijn, wat het dan ook is.

Lijstjesfreaks, angsthazen, eenzelvigen, dwangneuroten, getallengoochelaars, ze doen niemand kwaad. De wereld heeft ze nodig. Misschien moet het spectrum van pluisheid worden opgerekt.