Meer dan bijeengeveegde kliekjes

Zijn werkkamer aan de Nervilaan 63 te Brussel keek uit op het Jubelpark, maar men dient die beloftevolle naam ten hoogste in ironische zin te betrekken op de jaren 1964-1970, toen de jeugdige Jeroen Brouwers (1940) in dienst was bij de uitgeverij A....

Het zonlicht kwam niet verder dan de erker, en van het Jubelpark staat hem na veertig jaar vooral die door ziekte getekende zilverberk bij, die nog tijdens zijn Brusselse periode moest worden geveld.En duitzicht was weer wel veelzeggend. Want in het donkere herenhuis was Brouwers onder meer belast met het van 'woordkanker' zuiveren van manuscripten, die ook door Theo Oegema van der Wal (1907-2000) jarenlang ingrijpend werden 'vernederlandst'; geruisloos, en zonder dat de auteurs (onder wie de coryfeeRuyslinck, Jonckheere en Gijsen) protest aantekenden.Toen de bescheiden werknemer eenmaal weg was bij Manteau en in onstuimige pamfletten opening van zaken gaf, was de beroering groot. Meermalen werd hij voor leugenaar uitgemaakt, hoewel er tegen de feiten uit zijn consciieus gedocumenteerde schotschriften weinig viel uit te richten maar juist machteloosheid kan woede tot razernij doen uitgroeien.Nadat directeur Ang Manteau de uitgeverij had verlaten, keerde Brouwers nog een paar jaar terug onder de nieuwe bewindvoerder Julien Weverbergh. Ook die zou na 1975 onder uit de zak krijgen, maar uiteindelijk was hun vriendschap sterker.Alle stukken over Vlaamse cultuur en letteren werden in 1994 gebundeld in Vlaamse leeuwen. Tien jaar later wil Brouwers nog een en ander rechtzetten, zo zegt het voorwoord van Stoffer & blik, een titel die doet vermoeden dat de leeuw van weleer is uitgebruld en met zijn laatste krachten kliekjes bijeen veegt.Hoewel Brouwers er veel aan doet dit beeld te bevestigen, toch is Stoffer & blik meer dan een steunend vergaarde appendix bij Vlaamse leeuwen. Met onmiskenbaar plezier en zelfs deernis blikt Brouwers terug op de bedrijfsvoering van de driftige, poenbeluste en ondoordringbare Ang Manteau. Al noemt hij haar een vileine en parano uitgeefster, hij is ook gefascineerd gebleven door deze vrouw die ondanks (of mede dankzij) haar schavuitenstreken ver is gekomen.Anderzijds is dat moeilijke karakter er tevens de oorzaak van geweest, dat zij t grote schrijvers nooit aan zich heeft weten te binden. In plaats van onversneden woede roept die inschatting bij de Brouwers van nu ook iets van medelijden op.Dat geldt tevens voor de herinneringen aan Theo Oegema van der Wal, Marnix Gijsen en Karel Jonckheere. Voor de reus Herman Teirlinck (18791967) heeft hij nog altijd ontzag, en de pelgrimage naar het Teirlinckhuis in Beersel is met zoveel liefde geschreven dat je ook weer zin krijgt om Het gevecht met de engel of Zelfportret of het galgemaal uit het antiquariaat te bevrijden. Een uitschieter in de tegenovergestelde richting is de vermorzeling van Ward Ruyslinck, het bewijs dat de leeuw in Brouwers het machtige brullen (ad hominem, en met recht) niet is verleerd.In zijn Manteau-jaren had hij boven zijn bureau het motto hangen uit Teirlincks laatste roman: 'Liever geschuwd om mijn waarheid, dan gezocht om mijn schijn', en als je i┬┐ets duidelijk wordt uit de memoires van Stoffer & blik, is het dat de waarheid van een schrijver altijd hoogst subjectief is. Brouwers kijkt goed om zich heen, maar met hoeveel feiten, citaten, jaartallen en boektitels hij zijn portretten en herinneringen ook schraagt, hij weet ook wel dat alles wat hij ziet gekleurd is, en wel door zijn temperament en toon. Daardoor weet hij feilloos in anderen aan te wijzen wat pose is en wat echt.Het zegt altijd veel over zijn blik. Pose is, telkens weer, onthechtheid of eendimensionale levenslust; echtheid is, keer op keer, eenzaamheid en onvermogen om zich zonder kleerscheuren door het leven te slaan. Ang Manteau mag een harpij zijn en Ruyslinck een onaangename kwast, ze worden onder Brouwers' handen ook zielig, omdat ze zich zo ostentatief nobeler en minder laf willen voordoen dan ze zijn. Marnix Gijsen was een gereserveerde baron met een ringbaard en is thans een borstbeeldje, maar bij Brouwers wordt hij een onhandige man die op zijn pantoffels door zijn onpersoonlijke woonst slofte.Karel Jonckheere was een bekende Vlaming, opgetrokken uit een begrensd aantal snaaksheden dat hij decennialang woordelijk uitventte aan iedere interviewer die hem in Rijmenam opzocht. Als Brouwers weer eens het bosrijkevilladorp aandoet, noteert hij: 'Wijlen Jonckheeres huis, een plattelandsvilla in winkelhaakvorm, geheel gelijkvloers, lijkt onveranderd, maar biedt een vermoeide, lusteloze aanblik. En de tuin, zijn tweede liefde na literatuur en taal, is de tuin niet meer.' Dat blijft er over, nadat de guiterijen ten langen leste zijn verwaaid. Brouwers w wat hij zal aantreffen als hij de afslag Rijmenam neemt. Hij heeft het altijd bevroed, ook toen Jonckheere nog in leven was, en komt nu de trieste restanten inspecteren ter afronding van zijn verhaal.Dat is niet leuk voor Jonckheere, ofschoon dit portret ook getuigt van respect voor een man die niet anders kon dan hij heeft gedaan. Dankzij Brouwers bestaat Karel Jonckheere weer even.Net als de hond van Ang Manteau, de oude stinkende lobbes Amdis die wellicht model heeft gestaan voor de onvergetelijke zieltogende Nonja uit Brouwers' meesterstuk Geheime kamers (2000). En wat te denken van de boekhoudster van Manteau: 'Tegen het einde van iedere maand kwam mevrouw Sas me mijn salaris brengen in een feestloos donkerbruin papieren zakje. (. . .) Wanneer ik vaststelde dat het mij toekomende bedrag niet volledig in het zakje bleek te zitten, sprak mevrouw Sas met naar de vloer gerichte ogen, zenuwvlekken in haar hals, dat de directrice haar had getrueerd de door mij voor privoeleinden gemaakte telefoonkosten van mijn traktementje af te houden.'Dat zelfs mevrouw Sas door de stoffer van Jeroen Brouwers uit de spelonken van zijn geheugen te voorschijn wordt geveegd op het blik van de geschiedenis, mag roerend heten.