Liefdesbrieven vermomd als muziekkritiek De tomeloze amoureuze correspondentie van componist Matthijs Vermeulen

In het najaar van 1944 verloor de in Frankrijk wonende Nederlandse componist Matthijs Vermeulen zijn eerste vrouw aan een ernstige ziekte....

ER ZIJN, gok ik, ten minste twee soorten correspondentie die het eeuwige leven hebben: de dagvaarding en de liefdesbrief. Hoezeer de mogelijkheden ook toenemen om rechtstreeks of met behulp van apparaten met elkaar te babbelen, bevelen en smeken blijven bij uitstek het domein waarop het geschreven woord aantrekkelijker en effectiever is dan de conversatie.

Die missiven binnen een gesloten circuit en die e-mail brieven gaan waarschijnlijk allemaal na het verbreken van de betrekkingen verloren, en dat is maar goed ook. Want er kleeft iets ongemakkelijks aan het lezen van andermans liefdesbrieven, terwijl je tegelijkertijd moreel sterk in je schoenen moet staan om, wanneer je een tuiltje van zo'n correspondentie in handen valt, dat ongelezen weer weg te leggen.

De ongeschreven wet die een beredderaar van een nalatenschap wordt opgelegd is dat hij de liefdesbrieven die hij aantreft zonder ze te lezen verbrandt, hoe moeilijk dat ook is. Maar wie het ooit heeft moeten doen weet dat dat voelt alsof je die dode nog een trap na verkoopt: als laatste vernietig je diens tederheid, diens hartstocht. Misschien leeft een mens nergens intenser dan in zijn amoureuze correspondentie.

Voyeurisme en discretie zijn bovendien niet de enige drijfveren waartussen de vinder zich heen en weer geslingerd voelt: de stilistische nieuwsgierigheid is er stellig ook een. Hoe pakt iemand anders dat aan? De beperkingen van het genre hebben vroeger zelfs geleid tot modellenboeken, en voor wat ik ervan weet kopieert tegenwoordig iedereen zijn schrijfsels, er komt een moment waarop je voelt dat je schrijven moet, maar er geen idee meer van hebt wat. Afschriften van een eerdere brievenstorm zijn dan een uitkomst.

In feite zijn er niet veel authentieke liefdescorrespondenties bewaard gebleven. Van veruit de meeste grote schrijvers zijn de liefdesbrieven nog bij hun leven vernietigd. Om er maar een paar te noemen: Katia Mann liet die van Thomas Mann verdwijnen, overigens niet zonder diens lezers er lekker voor te maken, mevrouw Ibsen rapporteerde over het brandje dat zij ervan gestookt heeft. Alleen daarom al is het bijzonder dat alle liefdesbrieven nu zijn uitgegeven die de componist Matthijs Vermeulen in de tweede helft van 1945 en de eerste van 1946 aan Thea Diepenbrock schreef, de vrouw die tot besluit van de correspondentie zijn tweede vrouw werd. Het is een belevenis met toestemming van de rechthebbenden zo'n intense en innige correspondentie te mogen lezen.

Mijn geluk, mijn liefde heet het boek, en het eerste dat je treft is de herkenning: het geheim van de meest intieme brief is een geheim dat we met zijn allen delen. Het leukste bewijs daarvan staat in de brief die Vermeulen zijn toekomstige vrouw eind oktober 1945 stuurde. Ook hij grijpt terug op een eerdere geschiedenis, namelijk die met zijn eerste grote liefde, Elisabeth Diepenbrock, die toevallig ook nog de moeder was van Thea Diepenbrock. 'Weten mijn vrienden dat ik in de winter en voor- en najaar 1916-17 een regelmatige, amoureuze correspondentie met haar onderhouden heb door tussenkomst van De Telegraaf?', schrijft hij. 'Ik had met haar afgesproken dat zij in elk mijner kritieken minstens één zin zou vinden welke een liefdesverklaring was! Zonder twijfel uniek in de geschiedenis der journalistiek.'

De andere grote ontdekking is die van de verslaving waartoe zo'n correspondentie aanzet: wie er eenmaal aan begonnen is kan er niet meer mee stoppen. Het schrijven stimuleert het verlangen naar nabijheid en er is haast geen grotere nabijheid denkbaar dan het aan een stuk door met iemand praten, zonder dat die iemand meteen iets terugzegt. Ook Vermeulen glijdt in die trance; op een gegeven moment is het ondenkbaar dat hij nog veel meer heeft uitgevoerd dan brieven schrijven.

De keerzijde daarvan is dat je, gesteld dat je geen of te weinig oudere voorbeelden bij de hand hebt, door je onderwerpen heen raakt. Vermeulen woonde in die tijd in een dorpje onder Parijs, waar hooguit de elektriciteit zo nu en dan uitviel, maar overigens weinig van belang gebeurde. Het ontbreken van belevenissen en de vrijwel verstikkende groei van het verlangen dwingt de correspondent tot een ongelooflijke inventiviteit, tot het gebruik van zijn verbeelding dat bij zo'n begenadigd auteur ertoe leidt dat je alle hoeken van zijn verbeelding te zien krijgt. Voor een feitenbiografie levert Vermeulens correspondentie weinig op, voor een psycho-biografie des te meer.

In het najaar van 1944 had Vermeulen, die toen al meer dan twintig jaar in Frankrijk woonde, zijn eerste vrouw verloren. Zij stierf aan een ernstige ziekte, vlak nadat Parijs en de streek waar de Vermeulens woonden bevrijd waren. De klap die haar dood teweeg bracht kon Vermeulen bijna niet verwerken. Hij begon haar dagelijks onbestelbare brieven te schrijven en construeerde gaandeweg een mystieke wereld van voortbestaan om haar heen, een wereld die op talrijke momenten aan zijn eigen bestaan begon te raken. Die brieven zijn vier jaar geleden uitgegeven in Het enige hart, een van de intiemste ego-documenten in de Nederlandse literatuur.

Als in de voorzomer van 1945 ook Nederland bevrijd is, zoekt Vermeulen contact met enkele van zijn oude vrienden in het vaderland. Tot hen behoren de beide dochters van Diepenbrock, wier moeder hij in 1916-17 heeft liefgehad en wier vader als zijn mentor beschouwd kan worden. Hij heeft ze zien opgroeien, Thea en Joanna, en ze in 1939, toen zijn Derde symfonie in het Concertgebouw werd uitgevoerd voor het laatst gezien. Hij was voor die gelegenheid overgekomen, want het was een van die zeldzame keren dat hij zijn eigen muziek kon horen uitvoeren.

In juni 1945 schrijft hij de dochters Diepenbrock een aarzelende brief, om voorzichtig te informeren hoe zij de laatste jaren van de bezetting hebben doorstaan. Het antwoord daarop kennen we niet - zoals we trouwens de hele bijdrage van Thea aan de correspondentie niet kennen: in Mijn geluk, mijn liefde zijn alleen Vermeulen's brieven opgenomen.

Maar blijkbaar kwam er een antwoord en bleven er ook nadien telkens brieven terugkomen, want binnen enkele weken, als in het vernielde maar bevrijde Europa de post goed en wel op gang gekomen is, neemt het tempo toe. Eerst gaat het om de wederzijdse wapenfeiten en zijn Vermeulens brieven ook aan de beide dames geadresseerd. Maar na een maand of drie wordt de correspondentie persoonlijker en richt Vermeulen zich louter tot Thea. Als ze de informatie-achterstand hebben weggewerkt ontluikt in Vermeulen een grote liefde voor Thea Diepenbrock, voor het persoonlijke, het amoureuze en het mystieke.

Als die eerste brieven heen en weer gaan is Vermeulen nog helemaal in de ban van zijn gestorven vrouw. Hij schrijft niet alleen met haar, hij praat daar in zijn eenzame huis in Frankrijk ook de hele dag met haar en hij ontvangt haar boodschappen. Hij heeft er een hele kosmogonie op gebaseerd, die over geestverwantschap en spiritueel contact gaat. De laatste brief van Het enige hart is van 1 september 1945: tegen de tijd dat zijn nieuwe correspondentie opbloeit, sterft de oude af. Het is alsof hij aanhoudend naar zijn innerlijke monoloog luisterde en het noodzakelijk was dat hij die opschreef en tot iemand richtte. We zijn getuigen van een liefde die hoofdzakelijk in de verbeelding tot bloei komt, want de gelieven werden door vijfhonderd kilometer van elkaar gescheiden.

Thea Diepenbrock's antwoorden doen er allengs minder toe; Vermeulen heeft met haar net zo'n diep mystiek contact als hij eerder met zijn gestorven vrouw onderhield. De dood schept een onoverbrugbare afstand, en de afstand tussen de levenden maakt de mystieke dimensie van het contact eender. Of ze beiden op hetzelfde moment aan elkaar gedacht hebben, of een nog niet gestelde vraag al beantwoord wordt en of ze in elkaars dromen optreden, het worden stuk voor stuk bewijsmomenten voor de diepe waarheid die er in hun liefde huist. Dat die liefde ten slotte wordt bekroond met Thea Diepenbrock's enkele reis naar Frankrijk, verschaft er een happy end aan dat op de strekking van de correspondentie geen invloed heeft: die stopt dan gewoon.

Wij zien hoe die zich gedurende een jaar heeft ontwikkeld; elke schoorvoetende stap ervan is geboekstaafd. Ik kan me geen andere corrspondentie herinneren die dat zo minutieus doet - die ook mijn hart zo gestaag veroverde, doordat alle mogelijkheden van de verliefde geest erin onderzocht worden.

Matthijs Vermeulen: Mijn geluk, mijn liefde. Brieven aan Thea Diepenbrock, 26 mei 1945-12 juli 1946. Ingeleid, bezorgd en toegelicht door Odilia Vermeulen. De Bezige Bij, ¿ 45,50.