Langer doorwerken wordt financieel gestraft

Met VUT gaan, vervroegde uittreding, leek prachtig, maar is onbetaalbaar geworden. Dus werd langer werken weer het devies. Maar waarom zou je eigenlijk?...

Martin Oevermans (61) staat voor een dilemma. Na een druk arbeidzaam leven met twaalf beroepen, heeft hij zowaar de afgelopen elf jaar onafgebroken met veel plezier gewerkt. Door dat elfjarige dienstverband mag hij volgende maand, als hij 62 wordt, gebruik maken van de pré-pensioenregeling. Hij kan tot pensionering op zijn 65ste 80 procent van zijn salaris krijgen.

Maar hij wil best doorwerken. Dat levert hem echter later geen hoger pré-pensioen of hoger pensioen op. Zelfs de pensioengaten van zijn wisselvallige carrière kan hij niet dichten. Het pensioenfonds staat pensioenopbouw na 62 jaar niet toe. Bijverdienen tijdens zijn pré-pensioen mag ook al niet van zijn pensioenfonds.

Het dilemma waarvoor Oevermans zich geplaatst ziet, kan snel verholpen worden. Tientallen pensioenfondsen kunnen van hun nood een deugd maken. ABP en PGGM met in hun kielzog tientallen kleinere pensioenfondsen beraden zich op een nieuwe pensioenregeling.

De aanleiding is de aanhoudende crises op de financiële markten die de fondsen in de problemen bracht. De vermogens zijn tot de kritische grens geslonken. Een enkel fonds zoals PGGM verkoopt de herziening van de pensioenregeling als modernisering. 'Een aanpassing aan nieuwe arbeidspatronen', heet het dan. Anderen, zoals het ABP, noemen het beestje bij de naam en geven toe dat het in wezen om een versobering gaat. De pensioenen zullen lager uitvallen.

Het herzien van de pensioenregelingen is niet alleen een noodgreep maar ook een mogelijkheid om 'perversiteiten' te schrappen. Perversiteiten die werknemers zogezegd dwingen om met VUT of pré-pensioen te gaan om geen dief van eigen portemonnee te zijn. Langer doorwerken is het devies, en werknemers indirect dwingen om op hun 60ste of 62ste te stoppen met werken staat daar haaks op, betoogt economisch onderzoeksbureau Nyfer.

Nyfer heeft 23 pensioenregelingen onderzocht op het stimuleren dan wel ontmoedigen van doorwerken. De klassieke ontmoedigingsmaatregel om door te werken is de VUT. De regeling voor vrijwillig vervroegd uittreden werd eind jaren zeventig geïntroduceerd als middel tegen jeugdwerkloosheid.

Ouderen moesten plaats maken voor jongeren en kregen een mooie vertrekregeling. Gemiddeld kregen werknemers op hun 60ste verjaardag de kans te stoppen met werken. De VUT bood hen 83 procent van hun laatste salaris tot pensioen. De pensioenopbouw werd meestal voortgezet.

Vrijwel iedereen maakte gebruik van dit aanbod. Doorslaggevende reden was volgens Nyfer dat doorwerken geen extra perspectief bood: geen hogere uitkering, geen hoger pensioen. Wie niet meedeed, was een dief van eigen portemonnee.

Tien jaar geleden begon het afschaffen van de VUT. De VUT-uitkering werd betaald door collega's. De premie steeg door het grootscheepse gebruik. Met de aanzwellende groep babyboomers die wil stoppen met werken, in het vooruitzicht was duidelijk dat de premie zou exploderen bij ongewijzigd beleid. Ook toen al werd de analyse gemaakt dat werknemers op den duur langer zouden moeten doorwerken.

De VUT werd niet zozeer afgeschaft, maar meestal omgezet in een pré-pensioenregeling, gekoppeld aan de pensioenregeling.

Die omzetting is gepaard gegaan met overgangsregelingen. En daar wringt volgens Nyfer vaak de schoen. 'Ze stimuleren werknemers niet langer door te werken, maar straffen dat gedrag juist financieel af.'

Bij eenderde van de pensioenfondsen leidt doorwerken niet tot een hogere pré-pensioenuitkering of hoger oudedagspensioen. Dat effect wordt nog eens versterkt doordat een reeks fondsen een maximumleeftijd voor de pensioenopbouw hanteert. Werknemers van ABN Amro bijvoorbeeld bouwen na hun 62ste geen pensioen meer op. Die leeftijdsgrens valt niet toevallig samen met de leeftijd voor pré-pensioen bij die bank. Bij het ABP kunnen ambtenaren tot hun 70ste voor pensioen sparen.

Volgens Nyfer zijn veel pensioenregelingen zo opgezet dat werknemers op de spil-leeftijd voor het pré-pensioen, meestal 62 jaar, een volledig pensioen hebben en op die verjaardag daadwerkelijk met pensioen gaan. Vaak kunnen ze ook een aantal jaren voor hun 62ste, de 'spilleeftijd' hun pré-pensioen opnemen en krijgen dan tot hun 65ste een lagere uitkering. Doorwerken na de 62ste verjaardag levert niets extra's op.

Dat is des te pijnlijker voor degenen die op hun 62ste een volledig pensioen hebben opgebouwd. Dat komt vaak voor door bijvoorbeeld baanwisselingen met pensioenbreuken, door een late start van de loopbaan of tussentijds verlof. Deze werknemers kunnen hun pensioen niet bijspijkeren door langer door te werken.

Hun VUT-pré-pensioenaanspraken vervallen vaak als ze niet worden opgenomen en de pensioenopbouw is niet meer mogelijk na 62 jaar. 'Beter zou zijn dat de reglementen flexibeler worden ingericht zodat de opbouw ook na de pensioenleeftijd mogelijk wordt', zo adviseeert Nyfer de fondsen die nu hun regeling gaan versoberen.

Een andere erfenis van de VUT is het verbod op bijverdienen voor vutters die nu en en de komende jaren nog gebruik maken van VUT-overgangsregelingen. Dergelijke overgangsregelingen kunnen overigens tot 2020 doorlopen. De oude VUT-regeling was bedoeld om jonge mensen werk te bieden.

De vutters mochten daarom niet in de branche bijverdienen. Eventuele inkomsten werden daarom gekort op de VUT. Het ABP heeft maximumbedragen voor bijverdiensten. Wie meer verdient wordt gekort. De schilders en werknemers uit de metaalindustrie worden nog steeds op de VUT gekort. In de pré-pensioenregeling die voor jongere generaties geldt, zijn deze kortingsregelingen geschrapt.

Het gros van de dwangeffecten van de VUT leeft zo via overgangsregelingen voort in de pré-pensioenregelingen, zo betoogt Nyfer. Het herzien van pensioenregelingen biedt een uitgelezen kans de regelingen te flexibiliseren. Niet om tot langer doorwerken te verplichten maar wel om dat aantrekkelijker te maken.