Kunstmatig leven verdient helder debat

De overheid moet heldere informatie bieden over de kansen en gevaren van de synthetische biologie, betogen Rinie van Est en Bart Walhout....

Met een mengeling van hoop en vrees kijkt de wereld toe hoe de Amerikaanse onderzoeker Craig Venter zijn driestappenplan voor kunstmatig leven uitvoert. In de zomer van 2007 ‘transplanteerden’ zijn onderzoekers het complete genoom van een bacterie naar een andere, leeggehaalde bacteriecel. Twee weken geleden meldde Venter dat hij het complete DNA van de minibacterie Mycoplasma genitalium kunstmatig had nagebouwd. Nu rest nog één stap: ook dit synthetische DNA transplanteren en aan de praat krijgen in een lege bacteriecel. Met een knipoog naar Dolly, het gekloonde schaap, hebben milieuorganisaties dit eerste synthetische organisme alvast Synthia genoemd.Venters successen tonen de revolutionaire kracht van de synthetische biologie. Synthetisch biologen willen bestaande levensvormen niet alleen veranderen (zoals bij genetische modificatie), maar geheel nabouwen en wellicht zelfs ontwerpen. De hoop is dat zij kunstmatige micro-organismen in kunnen zetten voor nobele doelstellingen: schoner water, nieuwe vormen van energie, goedkopere medicijnen. De vrees is dat het evengoed verkeerd kan uitpakken. Zo is al in 2002 het Spaanse griepvirus – dat begin vorige eeuw miljoenen slachtoffers maakte – kunstmatig gereconstrueerd en tot leven gewekt.De snelle opkomst van de synthetische biologie dwingt ons bekende vraagstukken, zoals de veiligheid voor mens en milieu, opnieuw te bekijken. De Nederlandse politiek heeft dit tijdig ingezien. Na de publicatie van het rapport Synthetische biologie: Nieuw leven in het biodebat van het Rathenau Instituut, stelden drie PvdA-leden Kamervragen. Minister Plasterk heeft daar eind vorig jaar kordaat antwoord op gegeven. De Commissie Genetische Modificatie (COGEM) gaat onderzoeken welke nieuwe veiligheidsvragen er rijzen. Ook voert de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen (KNAW) inmiddels een verkenning uit. Praktische zaken als bioveiligheid lijken daarmee te worden aangepakt, maar de snelheid waarmee de synthetische biologie zich ontwikkelt, zet nieuwe, zeer heikele kwesties op de agenda: mogen we menselijke ziekteverwekkers maken? Mogen we menselijke chromosomen maken? Al lijkt dat laatste nog ver weg, ondenkbaar is het inmiddels niet meer. Zo verwacht synthetisch bioloog Chris Voigt van de Universiteit van Californië het eerste kunstmatige menselijke genoom al in 2014. En een andere vermaarde onderzoeker, Drew Endy van het MIT, voorspelt dat het in 2012 mogelijk is chromosomen van zoogdieren te maken. Deze vooruitzichten kunnen dromen van radicale biologen zoals Gregory Stock doen opleven. In zijn boek Redesigning Humans beschreef Stock in 1993 al dat door middel van een extra chromosomenpaar allerlei eigenschappen aan mens of dier toegevoegd kunnen worden zonder het bestaande DNA te veranderen. Dit soort vooruitzichten levert explosief materiaal voor een wereldwijd publiek debat.Minister Plasterk vindt het nog te vroeg voor een debat over synthetische biologie. In zijn antwoord op de Kamervragen noemde hij twee voorwaarden voor een zinvolle discussie. Eén: er moet voldoende objectieve informatie beschikbaar zijn. Twee: de betreffende technologie moet ‘voldoende concreet’ zijn. Beide randvoorwaarden klinken logisch. Maar het grote publiek trekt zich niets van deze logica aan. Dat bewijst het klonendebat. In 1997 leidde de onschuldige bekendmaking van de geboorte van het gekloonde schaap Dolly nog datzelfde jaar tot een wereldwijde politieke discussie. En waar ging die discussie over? Niet over een technologie die voldoende concreet was, of waarover voldoende objectieve informatie bestond. De Dolly-discussie mondde namelijk uit in een debat over het klonen van mensen. Juist de dromen en nachtmerries daarover, leidden tot een wereldwijd, verhit debat, met daarin veel zinnige argumenten, maar ook veel onzinnige.Wat Dolly was voor het klonendebat, is Synthia voor de discussie over synthetisch leven: een kruitvat vol ethische vragen. En die spelen in publieke discussies een cruciale rol. De overheid doet er daarom verstandig aan zich daar nu al op voor te bereiden. De les uit het klonendebat is: maak informatie over technische ontwikkelingen en de maatschappelijke visies daarop toegankelijk voor een breed publiek. Zet daarvoor technische en sociale wetenschappers samen met maatschappelijke organisaties aan het werk. Destijds begon het klonendebat in Nederland met een openbare hoorzitting in de Oude Zaal van de Tweede Kamer. Dat bood een podium voor de meest prangende thema’s en trok de aandacht van zowel politieke partijen als de media. Synthetisch leven vraagt om eenzelfde nuchtere, maar doortastende, aanpak.