Eén op 1.800 Nederlanders redde Joden

JODENVERVOLGING Zonder dat de overheid er aan te pas kwam, hebben veel mensen in Nederland zich in de oorlog tot het uiterste ingespannen om hun medemensen leed te besparen.

De oorlog wierp de Nederlanders terug op de maatschappelijke organisatie van de prehistorie: zij moesten hun eigen zaken regelen en zichzelf helpen, zonder regering. De moeder des vaderlands had de wijk genomen, haar ministers eveneens. Tijdelijk staatshoofd generaal Winkelman telde al gauw niet meer mee. Het volk raakte in verwarring, maar na een jaar, zo rond 25 februari 1941, werd het ons duidelijk wat ons te doen stond. Verzet en onderduik. Daar kon of wilde de regering in Londen op dat moment helemaal geen rol in hebben.

Ons oudste polderverleden werd misschien weer wakker: de dijkgraaf riep alle weerbare mannen op om hun plicht te doen. In Nederland groeide een verzetsbeweging onder het volk, die zijn weerga in Europa niet heeft. Nederland is namelijk absoluut wereldrecordhouder geweldloos verzet. Hier doken 350 duizend mensen onder - misschien zelfs wat meer, de hele stad Utrecht liep leeg.

Die mensen werden in leven gehouden door een ongeveer even groot aantal gastheren en -vrouwen, plus verzorgers die valse papieren en geld, voedsel en dokters regelden. En soms ook illegale begrafenissen. Daarnaast hadden de onderduikers en de verzorgers nog een groep stille getuigen om zich heen: directe familieleden en vrienden. Die wisten genoeg voor onmiddellijke arrestatie van hun halve familie, maar hielden hun mond. Je komt zo op ongeveer een miljoen mensen tussen de 12 en de 70. Zonder dat er één ambtenaar of gemeente, minister of ministerie aan te pas kwam.

De stelling kan dus zijn: de regering liet weliswaar het volk in de steek, maar juist daardoor liet het volk het volk niet in de steek. Chris van der Heijden trachtte tien jaar terug in zijn boek Grijs verleden te beweren dat 'de Nederlanders' eigenlijk niets goed hadden gedaan in de oorlog en dat het verzet eigenlijk niets voorstelde. Hij heeft ongelijk.

Zijn boek, waar nog andere verbazend grote fouten in staan, beleefde tien drukken. Er ontbreekt ook veel aan, zoals dat Nederlanders de grootste Jodenredders ter wereld zijn. Dat is een cijfer van de staat Israël, van Yad Vashem: van de 23 duizend Yad-Vashem-onderscheidingen wereldwijd voor het redden van Joden, zijn er 5.200 naar Nederland gegaan - ruim éénvijfde. Eén op de 1.800 Nederlanders van toen redde Joden, en waarschijnlijk deden nog veel meer mensen zulke dingen.

De geschiedenis van het Nederlandse Rode Kruis in de oorlog is, net als die van de regering, treurig, dat hebben diverse historici al beschreven, Jan Burgers onlangs nog (Opinie & Debat, 12 januari). Daar staat naast, en niet tegenover, dat er vele burgers zijn geweest die zich tot het uiterste hebben ingespannen om hun medemensen leed te besparen.

De grootste onder hen is tevens één van de meest onbekende - niet raar in een land zonder heldencultuur: 'tante Truus' Wijsmuller-Meyer. Zij redde met haar organisatie tussen acht- à tienduizend Joodse kinderen - net zoveel als de wereldberoemde Raoul Wallenberg. Ik noem haar naam om te laten zien dat een regering uiteindelijk een hulpmiddel, een luxe is - als je het zelf kunt, doe het dan maar.

Wat moeten we dan nog met excuses? Het antwoord is: maar één ding. Mensen die ze graag willen, kunnen ze krijgen, zoals de Koreaanse 'troostvrouwen' die nog altijd erkenning en excuses voor de dwangprostitutie uit Japan willen. Dat is hun keus, waar ik zeker begrip voor heb. En vooral naarmate zo'n regering als de Nederlandse in een geval als Rawagede of de Japanse bij de 'troostvrouwen' zich meer verzet, zou ik meer aandringen.

ARTHUR GRAAFF is hoofdredacteur www.Nieuws-wo2.tk.