Een kruising tussen een atlas en een jongensboek

Luc Panhuysen brengt met zijn boek over de ontdekkingsreizen van Robert Jacob Gordon het zuidelijk van Afrika in de 18de eeuw opnieuw tot leven. 'Hij zat dagenlang tussen de Hottentotten.' Door Geertje Dekkers

Eind januari 1780 vertrok een schip van Kaap de Goede Hoop naar Holland, met aan boord een aantal kisten vol botten van een 'camelopardalis'; een wonderbaarlijk dier met een ongelooflijk lange nek, dat we tegenwoordig giraffe noemen. In een ver verleden hadden de Romeinen het beest gekend, maar sindsdien was het in Europa in de vergetelheid geraakt. Toen ontdekkingsreizigers voor het eerst weer over het dier berichtten, geloofden veel Europeanen niet dat zoiets kon bestaan.

De Nederlandse ontdekkingsreiziger Robert Jacob Gordon wist in zuidelijk Afrika een exemplaar te bemachtigen en stuurde het skelet naar stadhouder Willem V, in de hoop dat het een plaats zou krijgen in diens beroemde rariteitenkabinet.

Deze giraffe, een mannetje van vijftien voet en vier duim hoog, was een trofee uit een van Gordons reizen. Historicus Luc Panhuysen beschrijft zijn tochten in Een Nederlander in de wildernis. De ontdekkingsreizen van Robert Jacob Gordon (1743-1795) in Zuid-Afrika, dat vanaf 3 november in de winkel ligt: 'Hij was een van de eerste ontdekkingsreizigers die de binnenlanden van Afrika in trokken', zegt Panhuysen.: 'Hij verkende een groot gebied en maakte er een opmerkelijke kaart van.'

In zijn tijd kenden westerlingen de Kaap, waar de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) een verversingsstation had voor schepen die tussen de Nederlanden en De Oost voeren. Maar van het binnenland van zuidelijk Afrika wisten Europeanen vrijwel niets.

Gordon was geboren in Doesburg maar had een Schotse overgrootvader, vandaar zijn on-Nederlandse achternaam. Op zoek naar avontuur had hij zich door de VOC laten uitzenden naar Fort de Goede Hoop, als plaatsvervangend commandant van het garnizoen. In de Kaap greep hij zijn kans om reizen te maken naar onbekende gebieden.

Panhuysen, die eerder boeken schreef over wederdopers, de gebroeders Johan en Cornelis de Witt en het Rampjaar 1672, onderzocht Gordons correspondentie, zijn reisverslagen en zijn kaart van zuidelijk Afrika, die enkele vierkante meters groot is. Ook verwerkte hij de meer dan vierhonderd waterverfschilderingen die Gordon en een metgezel maakten van vreemde volken, dieren en planten en die, samen met de kaart, in het depot van het Rijksmuseum liggen.

Het bijzondere aan Gordon, benadrukt Panhuysen, is dat hij oprecht geïnteresseerd was in de oorspronkelijke bewoners van zuidelijk Afrika. De meeste 18de-eeuwers waren weliswaar benieuwd naar allerlei wonderbaarlijks uit de nieuwe wereld maar over 'wilden' hadden ze hun mening klaar: die waren minderwaardig.

Hottentotten

'Gordon was wars van de racistische vooroordelen', zegt Panhuysen: 'Hij zat dagenlang tussen de Hottentotten en sloot vriendschap met een Kafferhoofdman, met de naam Coba. Het ging hem aan het hart dat de blanke boeren drijfjachten op Bosjesmannen hielden en ze afknalden als gewoon wild.' Hij gebruikt Gordons 18de-eeuwse namen voor Zuid-Afrikaanse stammen: Hottentotten, Kaffers, Bosjesmannen. Voor velen hebben die een negatieve bijklank maar voor Gordon niet, verklaart hij.

De leergierige Gordon nam de moeite de talen van de oorspronkelijke bewoners te leren en hij was nieuwsgierig naar hun gebruiken, zegt Panhuysen: 'Hij schrok niet snel voor iets terug, ook niet toen hij zag dat zijn vriend Coba zijn handen waste met verse koeienmest. En toen hij gezeten voor Coba's hut getuige was van een Kafferdans, kon hij het niet laten mee te doen. Zo slaagde hij er in echte contacten te leggen.'

Gordons open houding maakt hem tot een aantrekkelijk hoofdfiguur voor een 21ste-eeuws boek. 'Een culturele grensganger', noemt Panhuysen hem: een bruggenbouwer met talent voor het vreemdelingenschap: 'Hij wilde zo veel mogelijk weten. In die zin hoorde hij helemaal thuis in de 18de-eeuwse Verlichting. Tijdens zijn reizen verzamelde hij voortdurend gegevens.'

Gordon deed driehoeksmetingen om een kaart van het gebied te kunnen maken, bepaalde de hoogte van bergen en mat de temperatuur. Ook legde hij lijsten aan van de namen van Kaffers, Hottentotten en Bosjesmannen voor bijvoorbeeld één en dezelfde rivier. De giraffe die hij naar de stadhouder stuurde, mat hij van tevoren nauwkeurig op, net als de nijlpaarden, neushoorns en andere exotische dieren die hij en zijn metgezellen schoten. Bij deze onderzoeken hoorde ook een smaaktest: Gordon proefde alle gedode dieren.

Zijn belangrijkste verdienste - naast 'de ontdekking' van de giraffe - was een nauwkeurige beschrijving van de rivier die dwars door het huidige Zuid-Afrika loopt, van oost naar west, en die hij 'Oranjerivier' doopte, naar het huis van stadhouder Willem V, die ook de hoogste baas was van de VOC. 'Op zijn tochten deelde Gordon voortdurend namen uit', zegt Panhuysen, 'alsof hij de eerste mens was op aarde.'

Soms vernoemde hij een plaats naar een belangrijke gebeurtenis die er plaatsvond. Bij 'Gordons Keerom Bergen' bijvoorbeeld, weigerden zijn metgezellen verder te gaan, doodsbang voor Bosjesmannen die zich niet lieten zien maar wel hun beruchte giftige pijlen lieten slingeren. De expeditie draaide er om.

Deze gedwongen ommekeer was slechts een van de vele tegenslagen waar Gordon mee te kampen kreeg. 'Gordon en zijn mannen werden geplaagd door stortregens en ze leden e honger en dorst', zegt Panhuysen: 'Ze waren soms doodziek.' Toch wist Gordon van geen wijken: 'Hij was ambitieus, nieuwsgierig, gedisciplineerd en enorm toegewijd', legt Panhuysen uit: 'Hij was een pionier, en daar was hij buitengewoon trots op. In een groot deel van het gebied was hij de eerste Europeaan die onderzoek deed, en de eerste die de beschaafde wereld erover kon vertellen.'

Op zijn grote landkaart liet Gordon zien wat hij allemaal was tegengekomen. Allerlei exotische dieren staan erop, en stammen waarmee hij kennis maakte. 'Dat heb ík allemaal gezien', wilde hij daarmee volgens Panhuysen zeggen.

Op andere kaarten zie je zulke tekeningen niet, en dat maakt zijn kaart uitzonderlijk: 'Door die tekeningen en de bijbehorende opmerkingen is het een mengeling geworden van een kaart en een jongensboek', vindt Panhuysen. Gordon geeft met rode lijnen zijn sporen aan, zodat de toeschouwer hem op zijn tochten kan volgen.

Heel waarheidsgetrouw zijn de tekeningen op de kaart overigens niet: 'Gordon idealiseerde de situatie', zegt Panhuysen: 'De stam van de Strandlopers bijvoorbeeld, die leefde van aangespoelde vissen, ziet er weldoorvoed uit. Maar in werkelijkheid leden die mensen honger. Op de kaart ligt een dikke vis op hen te wachten terwijl ze bij Gordon bedelden om een schoen, om op te eten.'

Te zwak om te reizen

Ook voor Gordon was het bestaan in de wildernis zwaar en de laatste dertien jaar van zijn leven was hij te zwak om te reizen. Hij kreeg in Kaapstadj bestuurlijke taken die hem niet erg lagen. 'Hij kwam voortdurend in aanvaring met het goedkope dagelijkse carrièrisme daar', zegt Panhuysen. 'Hij kon daar niet goed mee omgaan.'

En toen maakte Gordon een kapitale fout. In de zomer van 1795 deden Engelse oorlogsschepen de kust aan en liet hij de bemanning aan land komen. Hij was ervan overtuigd dat zij bondgenoten waren tegen de Fransen, die in het verre Europa de Nederlandse Republiek onder de voet hadden gelopen. Maar het tegendeel was waar: de Engelsen kwamen als vijanden en dwongen de Nederlanders in de Kaap tot capitulatie. Gordon kon de schande van zijn fout niet verdragen en schoot zichzelf door het hoofd.

Zijn reisverslagen waren nog niet gereed voor publicatie en zo raakte Gordon na zijn zelfmoord langzaam in vergetelheid. Ook de giraffe die hij aan Willem V schonk, bracht hem geen roem. Het skelet stond ergens in een hoekje stof te vergaren toen de Fransen de Republiek binnenvielen, vertelt Panhuysen: 'Waarschijnlijk is het toen meegenomen naar Parijs. Sindsdien is het kwijt.'

Luc Panhuysen

1962

Geboren in Den Haag

1982-1988

Studie geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen

1989-1997

Parlementair journalist voor het Parool en De Groene Amsterdammer

2000

Publicatie van De beloofde stad: opkomst en ondergang van het koninkrijk der wederdopers (Uitgeverij Atlas)

2001

Publicatie van Jantje van Leiden (Uitgeverij Verloren)

2005

Publicatie van De ware vrijheid: De levens van Johan en Cornelis de Witt (Atlas)

2009

Publicatie van Rampjaar 1672: hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Uitgeverij Atlas)