De volksrechtbank buigt zich gretig over de aanklachten tegen de politieke elite

De media voeden de oproepen tot een collectieve verontwaardiging over het reilen en zeilen van politici, in dit geval de beloning voor Wouter Bos bij KPMG....

Wouter Bos, de voormalig minister van Financiën, gaat bij zijn nieuwe werkgever KPMG zo’n 400 duizend euro per jaar verdienen, rekende Het Financieele Dagblad uit. Op de nieuwssites stromen algauw de reacties binnen van lezers die stoom mogen afblazen.

In een mengeling van gemeenplaatsen, oprechte boosheid en verzuchtingen keert het publiek zich tegen de man die zich ooit druk maakte over de excessieve beloningscultuur. Hoewel oproepen tot collectieve verontwaardiging een haast dagelijks weerkerend fenomeen zijn geworden, lijkt er nog geen vermoeidheid op te treden. Integendeel. De volksrechtbank buigt zich met gretigheid over alle aanklachten die tegen de politieke elite worden ingediend: een minister die een file passeert, vanaf een vakantieadres wordt ingevlogen naar Den Haag of de dubbelparkerende burgemeester.

Uiteraard is er niets mis mee dat het volk het openbaar bestuur scherp in de gaten houdt en ageert tegen verspilling van gemeenschapsgeld. Ook is het volstrekt legitiem als een oud-minister, die zich jarenlang heeft gemengd in het maatschappelijke en politieke discours, ook na zijn functie wordt bevraagd op zijn handelen, zijn motieven en – indien nodig – op zijn geloofwaardigheid. Echter, de grote tekortkoming van de volksrechtbank, daarbij inbegrepen de journalistiek als openbaar aanklager, is dat vaak de verkeerde vragen worden gesteld en ondeugdelijke vonnissen worden geveld.

Waarom zijn de vragen die gesteld worden niet de juiste? Getuige de eerder genoemde lezersreacties bij de berichtgeving over de nieuwe functie van Wouter Bos is vooral de hoogte van zijn salaris de steen des aanstoots. Net als eerder Wim Kok, die als commissaris bij ING zich onvoldoende verzette tegen de ongebreidelde bonuscultuur, zouden socialisten hun principes graag tegen betaling opzij zetten. Waarom, zo klinkt het, zou hij geen genoegen kunnen nemen met een lagere beloning dan ruim tweemaal de Balkenendenorm? Uiteraard had het hem vrijgestaan een lager salaris te bedingen of vrijwillig een deel ervan aan de staatskas of aan goede doelen te doneren. Toch zou het mij verbazen als dat werkelijk de principes waren die Bos huldigde als minister, sociaal-democraat of econoom.

De schoen wringt op een andere plek. In een democratie vergt het moed om als politicus de gemakkelijke opvattingen van de man in de straat te bestrijden en niet louter als een echoput te fungeren. Het is makkelijker om je voor de camera te beklagen over de graaicultuur – een beklag dat door de internationale dimensies van het probleem gedoemd is retorisch te blijven – dan het economische belang van het grootbedrijf te verdedigen. Niet de vermeende huichelarij van een minister die een overstap maakt naar de accountancy dient aan de kaak gesteld te worden, maar de endemische huichelarij van de politiek die zich opvattingen laat slijten door opiniepeilers. In de rol van openbaar aanklager begrijpen de media echter dat ze, zeker in de concurrentie met weblogs, met toegankelijke bewijzen dienen te komen: liever een loonstrookje dan een abstract requisitoir.

Het oordeel is dan ook snel uitgesproken en bovendien geschikt voor hergebruik. Al dan niet mogelijk zal het onrecht direct moeten worden weggenomen. Het ticket dient te worden terugbetaald, de minister zal beloven voortaan netjes te wachten in de file en de oud-politicus zal bij zijn toekomstige beroepskeuze rekening houden met eventuele scheve ogen. Hoewel in sommige gevallen de uitkomst niet eens onbevredigend is, kan het ‘gezond verstand’ als uitgangspunt voor beleid en gedragsvoorschriften op den duur minder gezond blijken dan gehoopt. Als het reisbudget van een minister of de hoogte van de Balkenendenorm per referendum zou moeten worden vastgesteld, zou dat absoluut grote besparingen opleveren. Ook op de volkswijsheid dat mensen in de rij zouden staan om eventuele vacatures voor een minster- of staatssecretarisschap op te vullen, valt niets af te dingen. Of dit een geruststelling is, mag uiteraard worden betwijfeld.

Omdat het openbaar bestuur het eigen nut zelden met concrete, inzichtelijke resultaten kan aantonen, zijn representanten hiervan al snel verdacht. Als deze bovendien de verdediging van complexe of ondankbare standpunten niet voeren, uit angst voor het heilige gelijk van de burger, zal het wantrouwen alleen maar toenemen. Een volk dat nooit wordt tegengesproken, zal zich continu blijven verontwaardigen over zowel de politieke als economische bovenlaag, over het inkomen van minister Bos en van accountant Bos. Het is ontegenzeglijk waar dat een dergelijk klimaat huichelarij en hypocrisie voortbrengt, zij het van een ander soort dan waar de woede zich nu op richt.

Lodewijk Pessers (1984) is masterstudent informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam. Hij beklaagt zich over het zoveelste goedkope volksgericht, ditmaal gericht tegen oud-politicus Wouter Bos. ‘Juist de endemische huichelarij van de politiek die zich opvattingen laat slijten door opiniepeilers moet aan de kaak worden gesteld.’