De sloop van het Surinaamse regenwoud

Ontwortelde boomstronken, slordig weggeworpen stammen: waar het Surinaamse regenwoud wordt gekapt, blijft een kaalgeslagen landschap over. Sinds vorig jaar wordt het bos in het verarmde land op grote schaal geëxploiteerd....

DR MARCUS Colchester, veldwerker van het World Rainforest Movement, kijkt ontsteld om zich heen. Het is zijn eerste dag in Suriname. Al meer dan zeven jaar zit de Britse antropoloog en milieudeskundige vrijwel dagelijks in het regenwoud. Maar wat hij hier tegenkomt, is nieuw. 'What a day!', roept hij uit. En zal dat nog enkele keren herhalen.

Afgelopen jaar is het verarmde Suriname begonnen met een grootscheepse exploitatie van zijn regenwoud. Sindsdien zit een dagje in het bos vol verrassingen. De afgebroken en weggegooide waarschuwingsbordjes langs de weg bijvoorbeeld. Hij laat er een uit het struikgewas vissen en de Nederlandse tekst vertalen: 'Bosonderzoek. Verboden vuur te maken en te kappen.' Kennelijk stonden ze in de weg, want meteen achter de bordjes doemt een nieuwe weg op en verschijnen de eerste verse bulldozersporen.

Een uurtje later staan we oog in oog met de kapactiviteiten. De omgeving lijkt een maanlandschapje met ontwortelde boomstronken, slordig weggegooide boomstammen die niet aan de gewenste kwaliteit voldeden, en diepe voren van zware machines in de rode modder.

De Britse expert heeft tijdens zijn bezoeken aan Zuid-Amerika, Azië en Afrika tamelijk goed onderscheid leren maken tussen verantwoorde exploitatie van het bos en ordinaire roofbouw. Wat hier gebeurt, concludeert hij na enkele uren, valt onmiskenbaar in de laatste catagorie.

De vlakte waarop we staan, zal dienen als verzamelpunt van buitgemaakte boomstammen en uiteindelijk worden verlaten voor een andere plek, die eveneens zal worden platgestreken. Van daaruit zullen nieuwe rupsbandsporen het bos in worden getrokken, op zoek naar de paar geschikte tropische bomen die er nog staan. 'Inclusief de wegen en paden gaat hier 30 tot 40 procent van het regenwoud verloren', luidt zijn schatting.

En wijzend op een door bulldozers omgeploegd bospad: 'Dit is vreselijk. Het gaat járen duren voordat het systeem zich daarvan heeft hersteld. Zulke diepe sporen bevorderen de erosie en veroorzaken versnelde afwatering.' Niet voor niets is overal elders ter wereld bij de meer verantwoorde bosexploitatie het gebruik van de skidder op luchtbanden verplicht.

Maar uit het bos klinkt alleen het geluid van bulldozers. Een stukje verderop bewerken zwijgzame indiaanse bosarbeiders met een kettingzaag een gronfolo-boom, het jachtgeweer binnen handbereik. Aan de bosrand is te zien hoe eerder omgehakte bomen de kleine en jongere vegetatie in hun val hebben meegetrokken.

De vraag dringt zich op: kan het oerwoud nog primitiever worden omgehakt? Colchester komt tot een negatieve conlusie. 'Je kunt de bomen natuurlijk met olifanten omtrekken of het hele gebied kaalkappen. Men heeft hier de moeite genomen om wegen en paden aan te leggen. Maar voor zover ik zie, is dat alleen gedaan om kosten te sparen. Uit niets blijkt dat men iets anders voor ogen heeft gehad dan de hoeveelheid geld die dit hout kan opbrengen.'

Geld blijkt inderdaad het belangrijkste gespreksonderwerp tijdens het bezoek aan kapitein Tawjoeram, het dorpshoofd van Redidotti, die zich opwerpt als rechtmatige vruchtgebruiker van dit stukje oerwoud.

Het dorp ligt in het gebied dat op de kaart staat aangemerkt als Jodensavanne. Ook in de koloniale tijd was het al bosexploitatiegebied.

In de schaduw van zijn rieten afdak heerst de stilte van het heetste middaguur. De kapitein biedt een houten bankje aan en steekt van wal. Hij heeft een probleem met de MUSA-groep, zegt hij. De Indonesische investeerder is in Suriname neergestreken met de zware machine's en vrachtauto's die nodig zijn om de bomen af te voeren. Daar ontbrak het inderdaad aan, dus ze waren welkom. 'Maar wij hebben de weg aangelegd, en het gebied is van ons. We hebben het in erfpacht.'

Het conflict blijkt een perfecte illustratie bij datgene waarvoor velen in Suriname bij voorbaat bang zeiden te zijn. Sinds de entree van buitenlandse investeerders is het oerwoud voor plaatselijke concessiehouders Wild West geworden. Indianendorpen die tijdens de oorlog in het binnenland waren ontvolkt, lopen weer vol omdat er geld is te verdienen. Tussenhandelaren bieden kettingzagen, voedsel en financiële voorschotten in ruil voor hout.

Nog voordat er ook maar één officieel contract is getekend, gonst het daardoor al van de activiteiten. Controle op die werkzaamheden bestaat niet of nauwelijks. 's Lands bosbouwdienst LBB heeft welgeteld één academisch gevormde medewerker. Met de oprichting van een nieuwe controledienst wordt gewacht tot de grote contracten met MUSA en de Maleisische exploitatiemaatschappij Berjaya zijn getekend. En daarmee lijkt niemand haast te maken.

Kapitein Tawjoeram wil 25 duizend dollar per maand van MUSA, zegt hij. In ruil daarvoor mag de buitenlandse maatschappij het gehakte hout afvoeren en gebruik maken van de weg die door de dorpelingen is aangelegd. Voor de exploitatie van hun gebied maken de bewoners gebruik van een stichting: Wewatho - Wij Samen. 'Maar ze willen helemaal niets geven. Ze doen zelfs geen tegenbod.'

Of we niets voor hem kunnen doen? Duizenden kubieke meters rondhout zijn al vervoerd naar een plek aan de Surinamerivier vanwaar MUSA ze verder wil transporteren. Nu dat stilligt, worden de dorpelingen boos. 'Ze krijgen geen geld en nemen mij dat kwalijk, begrijpt u. Ik kan de mensen maar nauwelijks rustig houden.'

Onlangs, in de tweede week van november, werd de situatie volgens het dorpshoofd nog minder overzichtelijk. 'Toen verscheen de heer Bouterse hier, in eigen persoon. Hij deed zich voor als opkoper van MUSA en zei dat hij namens ons zou onderhandelen. Hij zou ook meegaan naar de stad om de besprekingen te voeren. Dat heeft hij niet gedaan.'

De oud-bevelhebber, tevens zakenman en NDP-politicus adviseerde de dorpsbewoners wel om direct zaken met hèm te doen in plaats van met het halsstarrige MUSA. Bouterse wil zeshonderd gulden Surinaams betalen per kubieke meter hout. Kapitein Tawjoeram laat aantekenen dat hij niet gek is: Surinaamse guldens worden met de dag minder waard. 'Met de MUSA spraken we over tien tot vijftien dollar.'

Het conflict blijkt vooralsnog niet te kunnen worden bijgelegd. Een andere opkoper zoeken heeft geen zin, meent hij. 'Iedereen heeft materiaal en voedsel geleend van Bouterse. Ze hebben allemaal schuld.'

En over het resultaat van de bespreking met MUSA in Paramaribo is hij nog minder te spreken. Beledigd: 'Ze wilden ons geen 25 duizend dollar geven, maar spullen voor de recreatiezaal, een generator voor het dorp en vervoer.'

EEN NEUTRALE instantie waaraan het probleem zou kunnen worden voorgelegd, is er niet. Dat verklaart ook de anarchie die de huidige kapactiviteiten kenmerkt. De Surinaamse overheid blijkt al helemaal geen eenduidige partner. De enige persoon naast de kapitein die in het indianendorp de overheid vertegenwoordigt, blijkt de inspecteur van de bosbouwdienst LBB te zijn.

De man bestaat, maar wil zijn naam niet in de krant. Daarvoor is hij te goed met iedereen in het gebied bevriend: met de dorpelingen, de houthakkers, de MUSA-mensen en - nu we zo aardig zijn om langs te komen - ook met de Britse expert en de Nederlandse journalist.

'Eigenlijk is het bos van lanti', vat hij de kern samen. Lanti is de Surinaamse overheid. 'Maar die doet zelf niets met het bos. Deze mensen wel.' Glimlachend: 'Je kunt dus zeggen dat het hout wordt gestolen. We zijn hier gewoon aan het stropen.'

Wel bekrachtigt de LBB-functionaris deze diefstal met zijn formele toestemming. Hij staat aan de kant van de dorpelingen die vinden dat ze recht hebben op de exploitatie van het bos. Dat de houthakkers 'dozers' gebruiken, zit hem wel dwars. 'Ze dozeren alles omver, en dat is uiteraard niet goed. MUSA zou moeten zorgen voor beter materieel.'

0'W HAT a day!', roept de Brit nog maar eens, hoofdschuddend. Het contract dat de republiek Suriname eerder dit jaar heeft gesloten met MUSA, komt ter sprake. Het betreft 150 duizend hectare regenwoud als voorproefje voor één miljoen. Het is een contract waarvan hij er te veel heeft gezien. 'Een lachertje. Het idee dat men zo'n groot gebied zou kunnen controleren, is een absolute farce. Dat hebben ze, zoals blijkt, nog niet voor elkaar bij tienduizend hectare.'

In het contract belooft MUSA te gaan werken volgens het milieuvriendelijke Celos-systeem, waarbij bomen worden weggehaald met minimale schade aan de directe omgeving. Bovendien worden ze meteen door nieuwe aanplant vervangen. In de meeste andere landen waar Colchester is geweest, werden zulke beloftes uiteindelijk niet ingelost. 'Ook hier zal het denk ik niet gebeuren. Een gedeelte van het aangewezen gebied is er om technische reden al niet geschikt voor.'

En los daarvan: voor de activiteiten op de Jodensavanne is MUSA niet verantwoordelijk. Formeel zijn het de Surinamers zelf die hun bos omhakken en afleveren bij een buitenlandse transporteur. 'Je bent overgeleverd aan de mensen met de machine's', zegt daarover veldwerker F. Verneul van het Bureau NGO-Forum in Paramaribo, een bundeling van politiek ongebonden organisaties in het land.

'De lokale mensen kunnen nooit een vuist maken. Het hout is immers niets waard zolang het hier staat.' Zelfs een kritische organisatie als NGO-Forum staat niet meer op het standpunt dat er niets gekapt zou mogen worden in het Surinaamse regenwoud, zegt hij.

Er bestaan plannen voor exploitatie van drie miljoen hectare regenwoud in Suriname. Als dat verantwoord zou gebeuren en als de opbrengst voor een redelijk deel ten goede zou komen van de plaatselijke bevolking, is er volgens hem weinig op tegen. 'Dat men nu gedwongen wordt zaken te doen met deze jongens, komt alleen door de economische crisis.'

Contracten stellen in deze context weinig voor, voegt Colchester eraan toe. Vóór zijn bezoek aan Suriname was hij in Brits-Guyana, het buurland waar al veel langer op grootschalige wijze wordt gekapt.

'De contracten deugden niet. Ze waren veel te genereus voor buitenlandse investeerders, en ondermijnen de plaatselijke industrie. De verplichtingen in het contract zijn vrijwel zeker niet nagekomen. Suriname moet goed uitkijken dat het de fouten van het buurland niet herhaalt.'