De magie kan niet worden vermoord In Iran was Kader Abdolah getuige, in Zwolle getuigt hij

In huize Abdolah te Iran waren radio en televisie verboden, want uit die apparaten kwam de boze stem van de sjah en diens handlangers....

Maar zoon Kader (15) was halsstarrig en schafte zich een radiootje aan. Zo bereikte het frivole gezang van meisjes zijn oor, afgewisseld door barse mannen die het luistervolk opriepen ontsnapte partizanen aan te geven. Met enig geluk was daar doorheen weer het gekraak van de clandestiene verzetszender te horen.

De jonge Kader ziet het als zijn taak alles goed in zich op te nemen. Als hij niet naar zijn radio luistert, speurt hij 's avonds laat de straten af op schimmen die door het maanlicht schuiven. 'Als er iets zal gebeuren, speel ik daar geen rol in. Ik ben niets, niemand. Ja, toch wel. In ieder verhaal is er wel iemand die zich achter een gordijn verstopt en getuige is. Dat ben ik: een jongen, de jongen achter het gordijn.'

In het bovenstaande ben ik zo vrij geweest, daar de naam van de schrijver in te vullen waar hij het in het titelverhaal van de bundel De meisjes en de partizanen heeft over 'ik'. Schrijvers beginnen altijd te steigeren als je zoiets doet, en in de literatuurwetenschap geldt het als een domme overtreding. Maar van die verboden trek ik me nu even niets aan. In mijn ogen is 'De meisjes en de partizanen' een autobiografisch verhaal, en in elk geval is Kader Abdolah geen ander dan die jongen met de radio. Als onwennige puber in een verwarrende omgeving realiseerde hij zich de betekenis van zijn positie. Een stille getuige is niet niets of niemand.

Hetzelfde geldt voor een schrijver. Die observeert en interpreteert, grijpt niet in de gebeurtenissen in, maar weeft er een verhaal van. Hij is geëngageerd door getuige te zijn - en daarvan op papier te getuigen. Schrijven kan een stille daad van verzet zijn, zoals gevoelens van smart en weemoed, eenmaal vastgelegd in verhaalvorm, troost en schoonheid kunnen bieden aan lotgenoten en vreemdelingen.

Dat doel bereikte Kader Abdolah, die in 1988 als politiek vluchteling naar Nederland kwam, met De adelaars, het best verkochte debuut van 1993. Ook onder de tien verhalen uit De meisjes en de partizanen bevinden zich knappe staaltjes. Abdolah is op dreef als hij schrijft over een 'ik' die langs de IJssel loopt met een hoofd vol pijnlijke en zoete herinneringen aan het land dat hij tien jaar geleden moest verlaten. In de bittere sprookjes uit zijn debuut viel de nadruk op de ontheemding van de verdreven Iraniërs. In deze nieuwe bundel geeft hij vooral uitdrukking aan wat hem hier met daarginds verbindt. In Iran was Abdolah getuige. In Zwolle getuigt hij.

Schitterend is het prozagedicht 'En toen waren wij aan de beurt', waarmee het boek programmatisch opent. Gezeten onder een treurwilg horen elf jongetjes avond na avond het verhaal over hun overgrootvader, die de stem van het verzet in zijn poëzie verklankte en die doorgaf aan het volk. De oude dichter moest het met zijn leven bekopen. En zijn magie?, vragen de kinderen. De magie kon niet gesmoord worden, oreert hun vader. 'Die zit nu misschien in de toppen van de vingers van één van jullie.'

Dit schrijft Abdolah in zijn bijzondere, gedrongen Nederlands, dat zijn woorden de verlangde bezwering geeft. Ook in 'De brieven' demonstreert hij zijn kunnen, door uit de vier gewrochten woordjes die zijn ongeletterde moeder hem overbrieft - gordijn, bergen, wachten, stoel - een verhaal te distilleren, terwijl hij in de regen langs de IJssel peddelt. Zijn broer is vermoord, zijn zus vermist, zijn oude vader is heengegaan, en zelf verblijft hij ver van hen allen in waterig Holland. Onmachtig zijn moeder bij te staan in haar rouw, anders dan door haar om een levensteken te verzoeken en de ontvangen tekentjes tot proza om te vormen; aldus via de omweg van het Nederlands antwoordend, zodat ook wíj bericht krijgen. Al kruipen wij er niet voor onder een treurwilg, ook hier zijn luisteraars te porren voor een goed verhaal. Zie het verdiende succes van De adelaars.

Soms staat hij zich wat lucht toe, en verlaat Abdolah het autobiografische terrein. Dan vertelt hij over Hasan Garibi, een blinde vluchteling die met zijn eveneens blinde vrouw in een Duits plaatsje probeert te overleven. Of over Elly, een Hollandse moeder die stiekeme afspraakjes heeft met de vluchteling Hamad Alsaied Alashrafi. In die verhalen is de magie zoek. Abdolah verdrinkt dan in sentimentele boodschapperigheid. De moeder, bang dat ze haar dubbelleven niet geheim kan houden voor haar man Johan, denkt: 'Wat moest ze doen als hij boos zou worden en zou zeggen: Elly, in godsnaam, waar ben je toch mee bezig?'

Zulke bedroevende taal spreekt men in Nederland. Dat heeft Abdolah scherp opgevangen. Maar die woorddiarree hoeft toch niet, alsof het een soap op de buis is, ook onze literatuur te komen bezwadderen?

Dan liever het prozagedicht 'Oosterse sluiers', dat de cirkel van De meisjes en de partizanen rond maakt. Op slag vergeet je het eendimensionale jeremiëren over Hasan of Elly, als Abdolah zich daar kort en goed zet aan de legende van hem, wiens naam alleen al poésie pure is: Tagi-ebne-hadi-ebne-hasan.

Kader Abdolah: De meisjes en de partizanen.

De Geus, ¿ 29,90.