Boston biedt 'oorlogskunst' voor tweede keer aan

Het Museum of Fine Arts (MFA) in Boston heeft Nederland aangeboden een schilderij uit de vroegere kunstcollectie van Franz Koenigs (1881-1941) terug te geven....

Van onze verslaggevers

Lucette ter Borg Bert Lanting

WASHINGTON/AMSTERDAM

Het MFA kocht het schilderijtje, dat maar 12,5 bij 25 centimeter meet en de titel 'Brandende Stad' draagt, in 1946 van een kunsthandelaar in New York. Volgens woordvoerster Dawn Griffin van het MFA meldde de kunsthandelaar dat het paneeltje afkomstig was uit de privé-collectie van een familie in Duitsland.

Nederland maakte het museum al in 1948 attent op de verdachte herkomst van het schilderij. De directie van het museum schreef toen al bereid te zijn het stuk terug te geven. 'Wij willen niet de bezitters zijn van gestolen goederen', zei de toenmalige directeur van het museum, G.H. Edgell, in een brief aan de Nederlandse overheid. Edgell verzocht de Stichting Nederlandsch Kunstbezit (SNK), de instantie die na de oorlog verantwoordelijk was voor de recuperatie en teruggave van 'oorlogskunst', om documenten die de roof van het paneeltje bewezen. Op dat verzoek kreeg het museum volgens Griffin nooit antwoord.

In maart 1998 stuitte het museum in Boston weer op de correspondentie uit 1948. Het museum had de maanden daarvoor negatieve publiciteit gekregen vanwege een aantal dubieuze stukken in de collectie. De directie besloot om, net als Nederlandse musea, groot onderzoek te doen naar de herkomst van stukken uit de eigen collectie. Het museum nam contact op met de Nederlandse overheid en deed hetzelfde aanbod als in 1948: terugkeer van het landschapje naar Nederland, mits Nederland met de gevraagde bewijzen zou komen.

Tot op heden heeft het museum nog geen documenten van de Nederlandse staat ontvangen. Wel heeft inmiddels Christine Koenigs, de kleindochter van Franz Koenigs, een verzoek tot teruggave van het landschapje bij het museum ingediend. Haar verzoek ging vergezeld van archiefstukken, die onder andere bewijzen dat het paneeltje van Herrie met de Bles in juni 1940 arriveerde op Karinhall, het landgoed van Goering, als één van negentien Koenigs-schilderijen. Göring verwierf de Koenigs-schilderijen via de bankier Miedl, die na de machtsovername door de nazi's de joodse kunsthandel van wijlen Jacques Goudstikker overnam.

Deze documenten zijn afkomstig uit het zogeheten 'Göring Report', een groot dossier over de rijksmaarschalk dat na de oorlog door de Geallieerden is opgesteld, en op verschillende plaatsen in Nederland, Duitsland en in Amerika is in te zien. Volgens B. Lodder van het ministerie van OCW heeft ook de Nederlandse overheid deze documenten nu in haar bezit. Hij prijst het initiatief van het museum in Boston en verklaart de late reactie van de Nederlandse overheid: 'We zaten het afgelopen jaar bij de Inspectie Cultuurbezit (de dienst die claims en verzoeken tot informatie over 'oorlogskunst' behandelt - red.) met te weinig mankracht om de Bostonians snel antwoord te geven', aldus Lodder.

Toch vindt hij het 'beslist prematuur' om nu al 'conclusies te trekken over claims aan het Museum of Fine Arts in Boston. 'Wij hebben net de feiten op een rij', aldus Lodder. 'Vandaag of morgen gaan de documenten naar Boston, met de nadruk op vandaag.' De aanspraken die Nederland op Boston zal doen, hoopt Lodder 'low key' te houden. 'Het is natuurlijk het mooiste als beide partijen tot een vergelijk komen, en het museum het landschapje aan ons overdraagt.'

Op de vraag waarom de Nederlandse overheid in 1948 nooit op het verzoek om documentatie van het museum in Boston is ingegaan, heeft Lodder geen antwoord. 'Wij hebben ons kapot gezocht, maar we weten het niet. Ik denk dat de kwestie in de chaos van de naoorlogse jaren, in de dagelijkse infanterie, ten onder is gegaan.'

Griffin van het Museum of Fine Arts wilde niet vooruitlopen op de vraag aan wie het schilderij zal worden teruggegeven: aan de Nederlandse overheid of aan Christine Koenigs. 'Wij hebben alleen gezegd dat wij bereid zijn het te retourneren als we de gevraagde bewijzen krijgen.'

Koenigs meent recht op het paneeltje te hebben, omdat haar grootvader zijn collectie onder directe oorlogsdreiging in april 1940 voor een zeer laag bedrag moest afstaan. De joodse bank waar hij zijn collectie in bruikleen had gegeven, liquideerde met het oog op de inval van de nazi's.