'Battleguide' is alleen gratis voor veteranen

Henry Mc Anelly werd in september 1944, tweeëntwintig jaar oud, gedropt boven Arnhem. Hij raakte zwaar gewond, veel van zijn kameraden sneuvelden....

AAN DE RECHTERZIJDE van de oorlogsbegraafplaats staan de grafstenen van Timothy Gronert en Claude Gronert. De tweeling sneuvelde op 21-jarige leeftijd in september 1944. Een strijdmakker die erbij was, ging na de Tweede Wereldoorlog naar hun moeder. De vrouw vroeg wie het eerste stierf en hoeveel tijd er tussen de dood van beide broers zat. Het was net als bij de geboorte. Ook toen was Timothy twintig minuten eerder.

'Sterk verhaal, hè?', zegt Henry Mc Anelly. Sigaar in de mond ('met de hand gemaakt in Kampen'). De donkerbruine ogen gluren triomfantelijk over de zonnebril. 'Dit heb ik pas veertien dagen geleden gehoord.' Op zijn hoofd de befaamde rode baret. De Kings Medal (For Loyal Service) op de jas gespeld en daarboven het Hubertus Kreuz. Een souvenir van generaal-majoor Heinz Harmel, commandant van de tiende SS-pantserdivisie Freundsberg die de geallieerden in de slag om Arnhem bevocht.

Mc Anelly (71) is elke dag op de begraafplaats in Oosterbeek te vinden. Zijn groene Opel stationcar, met op de motorkap het bordeauxrode embleem van de Eerste Britse Airborne Divisie, voor de ingang geparkeerd. Battleguide staat op het linkerportier. Onder die vermelding is hij ook in het telefoonboek te vinden.

Veteranen worden gratis rondgeleid, andere bezoekers moeten betalen voor een tour over het voormalig slagveld. Maar de chauffeur van een bus Britse toeristen die in Valkenburg verblijven, kost de rondgang een fles whisky.

Dood en begraven zijn de 1747 voor het overgrote deel Britse oorlogsveteranen op de Airborne-begraafplaats in Oosterbeek. Maar de veldslag waarin ze sneuvelden, is vijftig jaar na dato levendig aanwezig. Levendiger dan ooit. In het landschap, in het museum, in de herinnering van de veteranen en de oudere bewoners en in de fantasie van de vele bezoekers, jong en oud. Ze lijken niet genoeg te kunnen krijgen van zelfs de kleinste details van het dramatische en heroïsche verhaal van de operatie Market Garden en de slag om Arnhem.

De grootste luchtlandingsoperatie uit de geschiedenis, waarbij 35 duizend mannen werden gedropt, wordt beschreven in honderden boeken. Vele tientallen daarvan behandelen uitsluitend de slag om Arnhem. Ook dit jaar verschenen en verschijnen weer boeken, al dan niet met nieuwe interpretaties van de historische gebeurtenissen. Vijftig jaar na de oorlog leiden ze nog tot heftige discussies, of ze zijn olie op het vuur van smeulende vetes.

In de gemeenten Ede, Renkum en Arnhem werd een verbod op het gebruik van metaaldetectors ingevoerd nadat op een camping in de omgeving een paar Engelse jongens met een zak vol munitie hadden rongelopen. Zo nu en dan worden er vondsten in de bodem gedaan. Het zit stikvol, zeggen medewerkers van het museum.

Niet alleen met munitie en apparatuur. Op de begraafplaats liggen de vers gedolven graven van twee gesneuvelden, die een paar maanden geleden werden gevonden bij de verbouwing van verzorgingshuis de Zonneberg. Een van hen kon worden geïdentificeerd. De andere is only known to God, zegt Mc Anelly.

Dagelijks arriveren bussen vol bezoekers met vooral Britten. Dit jaar is het extra druk door de herdenkingsactiviteiten. Het Airborne Museum, op enige kilometers afstand van de begraafplaats, verwacht meer dan honderdduizend bezoekers.

Slagveldtoerisme is in het buitenland een bekend verschijnsel. In Groot-Brittannië, de Verenigde Staten of in Tjechië bijvoorbeeld worden hele veldslagen 'nagespeeld' met figuranten. Groot-Brittannië kent de Battlefield Trust, een organisatie die zich bezighoudt met het bewaren en exploiteren van slagvelden.

Mogelijk ligt het aan de geringe betekenis van de Nederlandse militair voor het verloop van de moderne geschiedenis; de Nederlander heeft volgens W. Boersma, bestuurslid van het Airborne Museum, wat meer remmingen op dit vlak. Maar hij signaleert ten opzichte van tien jaar geleden (ook een herdenkingsjaar) een cultuuromslag en een toegenomen belangstelling.

Voor scholen heeft het museum een map voor onderwijsprojecten ontwikkeld. De populairste fietstocht bij de VVV is de Airborne fietstocht van vijftig kilometer die over het slagveldterrein voert: over de Ginkelse Heide bij Ede, over de John Frostbrug in Arnhem tot in de Betuwe. De VVV heeft twintig medewerkers die rondleidingen verzorgen. Daarnaast zijn er nog particuliere initiatieven, zoals stadswandelingen in Arnhem.

Het toeristische succes van de slag om Arnhem verklaart oud-militair Boersma uit de 'overzichtelijkheid' van de gebeurtenissen in 1944. Het museum is gevestigd in villa Hartenstein, waarin generaal Roy Urquhart zijn hoofdkwartier had tijdens de strijd die volgde op de landing. In de kelder van het museum tonen diorama's met geluidseffecten scènes zoals die zich in de villa en de directe omgeving hebben afgespeeld. Zo kan de bezoeker zien en horen hoe Urquhart (met originele baret en veldkijker) de opdracht voor de terugtocht over de Rijn geeft.

Boersma: 'Het is zo'n dramatisch verhaal, de mislukte veldslag, de terugtocht, en de stad die na de evacuatie wordt geplunderd. Zo'n plot bedenk je niet. Het bevindt zich hier allemaal op loopafstand. Met het oude kerkje en de huizen waarin soms nog de kogelgaten zitten.'

Tussen het museum en Mc Anelly botert het niet. Het heeft iets te maken met afspraken die niet werden nagekomen. Boersma wil er niet veel over zeggen. Mede-bestuurslid A. Groeneweg maakt een afwerende armzwaai als de naam van de veteraan valt. 'Gelooft u niet alles wat hij zegt, daar zitten historische onjuistheden in. Ook over zijn eigen aandeel in de strijd.'

Mc Anelly is zich bewust van zijn impopulariteit bij de medewerkers van het museum. Ook zouden veel collega-veteranen in good old England niet zo zijn gesteld op zijn activiteiten rond de begraafplaats. Het deert hem niet. 'In Engeland heb ik geen vrienden, mijn vrienden liggen hier.'

Evenmin is hij onder de indruk van de bewonderaars die als bijen om de honing hangen. Met onduidelijke speldjes in de revers opscheppen over contacten met andere veteranen. Hem de hand willen drukken. Of militaristische blaadjes of badges van een bedenkelijk allooi uitreiken. Het zijn mannen met een aan fetisjisme grenzende belangstelling voor het militaire, die geen open dag van het leger overslaan, voor wie Oosterbeek een bedevaartsoord is.

Op tweeëntwintigjarige leeftijd sprong Mc Anelly op 17 september om twaalf over twee samen met tweeduizend andere parachutisten boven de Renkumse heide. Op een van de eerste dagen na de landing werd hij bijna dodelijk verwond. Hij had in totaal 46 verwondingen en verloor zijn linkerarm.

Vrijwel onmiddellijk na de oorlog ging hij met kunstarm en 211 pond op zak terug naar Nederland. Oudverzetsman Henri Knap hielp hem aan een baan bij de KLM, waar hij naar eigen zeggen weinig uitrichtte. Vijfentwintig jaar geleden ging hij in Oosterbeek wonen. De gemeente gaf hem een ontheffing van de vergunning die nodig is om als gids op te treden.

Tot zijn standaard-uitrusting - naast een grote zak met Kampense sigaren - behoort een portofoon. De afgelopen jaren kon hiermee voor vier veteranen tijdig medische hulp worden opgeroepen. Door emoties overmand waren ze op de begraafplaats onwel geworden. Ook kon Mc Anelly de politie waarschuwen toen een paar jongens enige maanden geleden vernielingen aanrichtten. De portofoon is er ook 'voor de staatsveiligheid, maar daar mag ik niet over praten'.

Mc Anelly beschikt inmiddels over zowel de Britse als de Nederlandse nationaliteit. Waarom kwam hij naar Nederland? Hij weet het nog steeds niet. 'Hoe heet het? Als je dood gaat, kom je in het vagevuur. Dit is mijn vagevuur. Die slag is mijn leven. Tot mijn dood zal ik er trots op zijn dat ik vocht bij Arnhem. Je was hier, of je was hier niet.'