1527653
Prins Willem-Alexander © ANP

'De Grondwet zegt niets over eed aan de Koning'

Opinie Als Kamerleden trouw aan de Koning willen zweren of beloven, doen ze dat maar in een een-op-een gesprek. De Grondwet verplicht hen er niet toe, zegt hoogleraar staatsrecht Wim Voermans.

 
Zo'n eed beperkt toch de bewegingsvrijheid van het Kamerlid

Op 30 april van dit jaar wordt Willem-Alexander beedigd en ingehuldigd als koning. Dat gebeurt, na de troonsafstand in het Paleis op de Dam, traditiegetrouw in de Nieuwe Kerk. Zonder twijfel wordt het een luisterrijke gebeurtenis vol traditie, rituelen en symbolen.
Bij één onderdeel van de geplande plechtigheid kun je echter wel wat vraagtekens plaatsen. Vanaf 14.00 uur voorziet het programma in het publiekelijk uitspreken van een eed of belofte van trouw aan de nieuwe koning door alle 225 leden van het Nederlandse parlement. Daarna doen ook de gedelegeerden van de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten dat. Al wordt het woord 'eed van trouw' in de regels angstvallig vermeden alle Kamerleden stellen zich via zweren of beloven tijdens die sessie toch onder een soort persoonlijke loyaliteitsverplichting.

Dat steeds wordt benadrukt dat het maar om een 'plechtige verklaring' gaat, doet daar niets aan af. Op 30 april moet ieder Kamerlid de volgende zin uitspreken: 'Wij zweren (beloven) dat wij Uw onschendbaarheid en de rechten van Uw Koningschap zullen handhaven.' Een rare vertoning, waarmee de oude eed, die in 1983 uit de Grondwet werd geschrapt, langs een achterdeur via een vergeten wetje uit 1992 weer is teruggebracht. In een grote meute hoofdelijk trouw zweren aan de Koning door te verklaren de rechten van het koningschap te zullen handhaven is vreemd en past niet in de huidige verhoudingen. Het doet nogal middeleeuws aan en bovendien staat die eed op gespannen voet met de letterlijke tekst van onze Nederlandse Grondwet.

Het is ook gek dat Tweede Kamerleden in korte tijd nu voor de tweede keer trouw moeten zweren aan de Koning. Ook bij de aanvaarding van hun ambt moesten de Tweede Kamerleden dat een paar maanden geleden al doen. Voor de Eerste Kamerleden is het iets langer geleden. Vanwaar toch die nadruk op dat zweren en beloven van trouw aan het Koningsambt?

De Nederlandse Grondwet kent uitzonderlijk veel regels over de 'Koning'. Zowat een zevende deel van het hele document is eraan gewijd; er zijn meer grondwettelijke bepalingen over het koningschap dan over de Staten-Generaal of de gemeenten en de provincies. In die grondwettelijke regels is de procedure van troonopvolging gedetailleerd uitgewerkt.

Niets
Het koningschap gaat over op de troonopvolger door overlijden van de zittende koning of door afstand van het koningschap (abdicatie). Van die tweede situatie is nu sprake. Als koningin Beatrix op 30 april de acte van afstand (abdicatie) tekent is kroonprins Willem-Alexander koning. De Grondwet bepaalt dan dat die kersverse koning zo spoedig mogelijk wordt beëdigd en ingehuldigd in Amsterdam (artikel 32 Grondwet). Die beediging houdt volgens de tekst van de Grondwet in dat alleen hij, de Koning, trouw aan de Grondwet zweert of belooft en een getrouwe vervulling van zijn ambt. Dat is het. De Grondwet zegt niets over eden of beloften van trouw van leden van volksvertegenwoordigers aan de Koning.

Dat deed de oude Grondwet uit 1972 nog wel. Daarin was een artikel 54 opgenomen dat parlementariërs onder meer opdroeg te zweren of te beloven de rechten van het koningschap te handhaven. Die bepaling is bij de grondwetsherziening van 1983 geschrapt om de zelfstandige positie van leden van de Staten-Generaal in het staatsbestel te benadrukken. Ook om die reden verlangt artikel 60 van de Grondwet dat leden van het Nederlandse parlement bij de aanvaarding van hun ambt alleen maar een eed (belofte) van trouw aan de Grondwet hoeven af te leggen en een tot getrouwe vervulling van hun ambt.
Via een achterdeur is er in 1992 toch weer een eed van trouw aan de Koning in gefietst die moet worden uitgesproken bij gelegenheid van de ambtsaanvaarding voor Kamerleden, ministers en staatssecretarissen. De Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal uit 1992 verlangt dat Kamerleden na een zuiveringseed eerst trouw zweren aan de Koning en daarna pas aan het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet.

De reden om de eed aan de Koning in deze wet te introduceren is op zijn minst vergezocht: het zou moeten op grond van artikel 47 van het Statuut van het Koninkrijk. Die vergt een eed aan de Koning bij aanvaarding van lidmaatschap van de vertegenwoordigende lichamen van de landen. Die verplichting is ten eerste vreemd omdat sinds 1814 leden van het Nederlandse parlement bij de aanvaarding van hun ambt tot aan 1992 nooit trouw hebben hoeven zweren aan de Koning, met uitzondering dan van die eed bij de inhuldiging. Ten tweede omdat je je kunt afvragen waarom in de relatie tussen Nederlandse Kamerleden en hun verplichtingen onder de Grondwet ineens het Statuut - dat handelt over onze relaties met Aruba, Curaçao en Sint Maarten - als de hoogste regeling zou moeten gelden. In de rechtswetenschap wordt het erop gehouden dat de regels van de Grondwet hier voorrang hebben.

Kromme redenering
Met eenzelfde kromme redenering is in 1992 de inhuldigingseed voor Kamerleden bij de troonsopvolging weer in het leven geroepen. Want al zegt de Grondwet dat alleen de Koning trouw moet zweren aan de Grondwet, in de wet die dat uitwerkt, herleeft ineens die oude in 1983 bewust geschrapte eed weer. De tekst van de Grondwet geeft eigenlijk geen basis voor die wet. Een wonderlijke gang van zaken. Waar we in 1983 geen eden van trouw meer aan de Koning hadden, hebben we er sinds de kabinetten Lubbers nu ineens twee voor terug gekregen. Alle twee via gewrongen en wankele constructies.

De Kamerleden Sadet Karabulut en Farshad Bashir hebben al aangegeven moeite te hebben met het uitspreken van de 'verklaring' op 30 april. Gelijk hebben ze. In 1983 is er een herziene Grondwet in werking getreden die, op principiële gronden, een eind maakt aan het zweren van persoonlijke eden van parlementariërs aan de Koning. Dat past niet bij moderne volksvertegenwoordigers, dat past ook niet bij modern koningschap. Gemeenteraadsleden zweren ook geen eed van trouw aan een nieuw benoemde burgemeester in hun gemeente en leden van provinciale staten hoeven bij hun ambtsaanvaarding toch geen eed van trouw af te leggen aan de minister-president?

Zo'n eed - zelfs al heeft die weinig juridische waarde - beperkt linksom of rechtsom de handelingsvrijheid van volksvertegenwoordigers. Mag je na zo'n eed nu nog wel of niet kritiek hebben op de persoon van de Koning, dan wel op de monarchie? Moreel zal iedereen zich toch een beetje gebonden voelen. En dat past niet in de huidige verhoudingen. Volksvertegenwoordigers doen hun werk zonder last, zegt artikel 67 van de Grondwet. Een eed van trouw aan de Koning is - hoe je het ook wendt of keert - een soort persoonlijke verbintenis, een last. Eentje waartoe de Grondwet eigenlijk niet verplicht en een waar een heel verkeerd signaal van uitgaat: 225 leden van de Staten-Generaal die braaf als schoolkinderen een verklaring van trouw voorlezen.

Wellicht wil deze zelfbewuste Tweede Kamer, die zelfstandig de formatie van 2012 tot een goed einde bracht, nog eens kijken naar de inhuldigingswet van 1992, die eigenlijk elke basis in de Grondwet ontbeert. En voor wie trouw aan de Koning wil zweren of beloven, die kan dat ook tijdens de receptie een-op-een in gesprek met de koning doen.

Wim Voermans is hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit van Leiden.