Martin Sommer: Waarom het kiezersvolk de elite niet meer volgt

Linkse verstedelijkte toplaag boet aan populariteit in op behoudend platteland

Het zijn verwarrende tijden, stelt Martin Sommer. Waar voorheen de maatschappelijke toplaag rechts en behoudend was, is die nu links en vooruitstrevend. Het verklaart mede waarom het grote kiezersvolk de elite niet meer volgt.

Progressieven uit de grote stad kijken met grote ogen naar de kiezers van Wilders. Wat is er in die mensen gevaren? Zijn ze werkelijk achtergesteld? Hoeveel moslims wonen er eigenlijk in hun straat? Laten we het eens omdraaien en naar de progressieven in de grote stad kijken. Zegt het populisme ook iets over de zogeheten weldenkenden? Na de Amerikaanse verkiezingen bleek dat alle grote steden op Hillary Clinton hadden gestemd. Soms voor meer dan 90 procent, zoals in Washington en New York. Het illustreert een trend. Bijna alle metropolen in het Westen zijn de afgelopen decennia links geworden, als ze het niet al waren, terwijl de omgeving populistisch stemde.

Neem Parijs. Ik was daar tot 2002 correspondent. Voorheen was de stad altijd stevig gaullistisch, Jacques Chirac regeerde er twintig jaar met vaste hand. Maar begin deze eeuw ging Parijs over naar de socialisten. Nu is Anne Hidalgo burgemeester, nog altijd links. Als ik me niet vergis blijft dat zo, ook al haalt de Parti Socialiste zo direct bij de presidentsverkiezingen 4 procent. Madrid was rechts, nu links. Wenen, voorheen altijd gutbürgerlich, nu links. Dat geldt niet voor Amsterdam, zegt u meteen. Dat klopt. Maar de macht verschoof van PvdA-links naar D66- en GroenLinks-links. Een wezenlijk verschil.

De overwinning van Trump was de overwinning van het platteland en de suburbs

Hoe heeft Amerika in werkelijkheid gestemd?

Wie de wereld bekijkt zoals de Franse geograaf Jacques Lévy doet, ziet de clash. Het volk uit de grote stad: links, groen, kosmopolitisch. Versus de massa op het platteland: nationalistisch en conservatief. Wie zo kijkt, snapt dat Hillary Clinton de meeste stemmen kreeg. Lees hier het interview met Jacques Lévy, hoogleraar geografie, over de uitslag van de Amerikaanse presidentsverkiezingen afgelopen november.

Electoraal geograaf Josse de Voogd beschreef in zijn boekje Bakfietsen en rolluiken (2011) hoe de noordvleugel van de Randstad progressiever werd, terwijl het ommeland rechtser ging stemmen (kaart). Illustratief is dat de republiek Amsterdam heeft gedreigd zich af te scheiden als de macht straks bij premier Wilders ligt.

Dit is een patroon. De overwinning van Trump was de overwinning van het platteland en de suburbs. Pim Fortuyn was een typische stedeling maar maakte furore in Elsevier, opinieblad van de provincie. Wilders is een man uit het diepe zuiden. In Nederland gaf de uitkomst van het Oekraïnereferendum hetzelfde beeld: grote welvarende steden vóór, periferie massaal tegen. Rechts en links hebben grofweg stuivertje gewisseld en dat is een van de meest verwarrende politieke fenomenen van deze tijd. Voorheen was de maatschappelijke toplaag rijk, burgerlijk en behoudend. Tegenwoordig is de welvarende toplaag stedelijk en progressief, even afgezien van de bovenste 1 procent met echt heel veel geld. Die doet niet mee aan dit verhaal.

Wat is er de afgelopen decennia gebeurd?

De democratische stad

Om dit te begrijpen is Benjamin Barber behulpzaam. Deze bekende Amerikaanse politicoloog is ook in ons land populair bij burgemeesters en overige bestuurders. Geen wonder, want zijn stelling is dat alles beter zou gaan als burgemeesters het voor het zeggen zouden hebben. Zij doen immers wat gewoon gedaan moet worden. Burgemeesters zorgen ervoor dat kinderen naar school kunnen, dat er bussen rijden, dat boeven worden gepakt en dat 100-jarigen een bloemetje krijgen. Zij repareren het riool - linkse of rechtse riolen bestaan niet, zou de befaamde burgemeester Teddy Kollek van Jeruzalem hebben gezegd.

Weg dus met het gehakketak van de nationale partijen. Eigenlijk wil Barber van de hele natie af. Die is ouderwets, aangezien de problemen zich tegenwoordig op een andere schaal aandienen. Bovendien is de natie egoïstisch en xenofoob. Nee, dan de grote steden, die hebben een geschiedenis van protest, van de Bastille tot Tiananmen. Ze zijn open en democratisch en bekommeren zich om de echte vraagstukken. Bijvoorbeeld hoe wij multicultureel moeten samenleven en hoe we het klimaatprobleem oplossen. Gewoon als praktische kwesties. In de allerkortste samenvatting zegt Benjamin Barber eigenlijk: weg met de nationale politiek.

Politiek is verworden tot het oplossen van problemen van alledag. Ideologie zit daarbij maar in de weg

Dat kwam mooi uit want met de traditionele politieke partijen ging het toch al bergafwaarts. Pragmatische politiek kennen we natuurlijk al langer. D66 werd ervoor opgericht en wilde de sclerotische vastgelopen ideologische politiek laten ontploffen. Hoewel het van ontploffen niet kwam, veroverde D66 wel de dominantie in het denken. Wim Kok maakte een eind aan de rode veren, in Engeland zei Tony Blair dat hij eigenlijk een antipolitieke politicus was en niets wilde weten van dat ouderwetse links-rechtse gedoe. Op de keper beschouwd is Mark Rutte niet veel anders, met zijn grondige hekel aan visie. Politiek is geworden wat Benjamin Barber ervan zei: het oplossen van problemen van alledag. Ideologie zat daarbij alleen maar in de weg.

Die manier van denken schoot vooral wortel in de grote stad. D66 was de aankondiging van grote veranderingen in Amsterdam. De havens en de fabrieken verdwenen. De arbeiders gingen met pensioen, verhuisden naar Purmerend en Almere en gingen rechts stemmen. De havens werden intussen volgebouwd, hip en vooral duur. Maar ook behoudender steden als Den Haag veranderden. De ouderwetse administratie werd weggeautomatiseerd. Er kwam ander werk en kwamen nieuwe mensen. Ook Den Haag heeft tegenwoordig koffietenten voorzien van mannen met knotjes en duimringen.

Partijpolitieke versukkeling

Veelzeggend is dat het partijkantoor van de PvdA onlangs verhuisde van de Herengracht naar een treurige betonkolos bij Sloterdijk

Er kwamen vooral veel nieuwe instellingen, in Haagse kantoortorens of aan de Zuidring. Met als gemene deler dat zij zich bezighouden met het openbaar bestuur, maar anders dan de danig versleten politieke partijen. Die laatste zijn er uiteraard nog. Deze dagen kijken we half medelijdend naar de politici die op televisie door hun hoepeltje springen. Veelzeggend is dat het partijkantoor van de PvdA onlangs verhuisde van de Herengracht naar een treurige betonkolos bij Sloterdijk. Wel toegankelijk voor rolstoelers natuurlijk. De tijd van de massapartij is net zo voorbij als die van de Amsterdamsche Droogdok Maatschappij of de zondagse kerkgang.

Om te weten wat ervoor in de plaats kwam, pakken we de fiets voor een inspectie van de kantoren in Den Haag, Amsterdam of een andere hoofd- dan wel regeringsstad. U ziet uiteraard uitdijende ministeries, maar ook universiteiten, KPMG's, Berenschotten, Rekenkamers, Nationale Ombudslieden, PwC's, rechtbanken, ngo's als Amnesty, Vluchtelingenwerk of de Milieufederatie. En internationaal de OESO's, de IMF's of de Europese Commissie. Kranten- en omroepredacties niet te vergeten.

Het zijn allemaal instellingen die op de een of andere manier betrokken zijn bij het bewaken van het openbaar bestuur. Ze vragen verantwoording of rekenschap, ze dirigeren, controleren en inspecteren. Hun rol groeit al jaren - de toezichthouderij is als zelfrijzend bakmeel, sprak al begin deze eeuw een VVD-Kamerlid. Ook staatsrechtgeleerde J .Th. J. (Joop) van den Berg verbaasde zich daar onlangs over, in een advies dat hij schreef voor de staatscommissie die bezig is het democratisch bestel te onderzoeken. Zoveel onafhankelijke toezichthouders, zoveel onafhankelijke commissies en onafhankelijke beoordelaars, waar is eigenlijk het ouderwetse politieke oordeel gebleven?

Autoritaire tendensen

Na de Koude Oorlog liep de ideologie op z'n eind, het was de tijd van de paarse kabinetten

De verzwakking van de partijpolitiek gaat gelijk op met een geweldige proliferatie van andere vormen van verantwoording. De politicoloog Peter Mair wees daarop in zijn postuum uitgegeven Ruling the Void - The Hollowing of Western Democracy (2013). De liberale democratie bestaat uit twee onderdelen. Enerzijds de volksinvloed door middel van verkiezingen en, als tegenhanger, wat meestal de rechtsstaat wordt genoemd.

In de jaren negentig voltrokken zich grote veranderingen. In West-Europa werden de politieke partijen in snel tempo zwakker, terwijl hun tegenhangers in het pas bevrijde Oost-Europa zich autoritair ontwikkelden. Na de Koude Oorlog liep de ideologie op z'n eind, het was de tijd van de paarse kabinetten, in Nederland maar ook in de landen om ons heen. Paars werd in onze kring gevierd, maar was tegelijkertijd een symptoom van partijpolitieke versukkeling. De Europese Unie maakte zo veel furore dat de toenmalige hoofdredacteur van de Volkskrant overwoog om de Haagse redactie min of meer op te doeken. Hij droomde van een nieuwe politieke redactie in Brussel, met hoog boven het De Brouckèreplein in neonletters de naam van de krant.

Die twee trends, verzwakking van de nationale politiek in het Westen en autoritaire neigingen in het Oosten, maakten dat de nadruk steeds minder kwam te liggen op de volksinvloed en steeds meer op de instellingen die de rechtsstaat bewaken. De invloedrijke politicoloog Fareed Zakharia schreef 'dat we vandaag in de politiek niet meer maar minder democratie moeten hebben'. Of in de radicale samenvatting: democratie is rechters plus ngo's.

Als besturen gewoon het beste doen is, dan kan dat het beste door experts gebeuren

Besturen werd steeds minder in de praktijk brengen wat de kiezers willen. Besturen is doen wat er domweg moet gebeuren, zei Benjamin Barber. Als besturen gewoon het beste doen is, dan kan dat het beste door experts gebeuren. Op de keper beschouwd heb je daar geen kiezers voor nodig. Ik zou de Nederlandse burgemeesters niet graag de kost geven die dit in hun hart ook vinden. Door de bank genomen zijn onze burgemeesters, anders dan driekwart van de bevolking, immers tevreden met het feit dat ze zelf niet gekozen zijn.

De verschoven arena

Belangrijke beslissingen volgen steeds meer uit internationale verdragen of rechterlijke uitspraken

En zo werden de grote kwesties steeds meer buiten de politieke arena beslist. Immigratie, opvang van vluchtelingen, aansporingen tot diversiteit, worden in de eerste plaats als rechtsstatelijke fenomenen beschouwd. In Artikel 1 van de Grondwet, voor de deur van de Tweede Kamer in marmer gehouwen, wordt het volk gemaand dat discriminatie niet mag. Het is ook een waarschuwing aan de politiek: afblijven, hier spreekt het recht.

Belangrijke beslissingen volgen steeds meer uit internationale verdragen of rechterlijke uitspraken. Klimaatmaatregelen werden door ngo's afgedwongen bij de rechter, open of gesloten grenzen, de toelating van asielzoekers en de toelatingsprocedures, het ligt allemaal vast en voor de dagelijkse politiek blijft weinig meer over dan de uitvoering. In deze campagne zien we waartoe dat leidt. De grote kiezersmassa keert zich schouderophalend van het toneel af. De beoordelaars, procesbewakers en de toezichthouders kijken misprijzend naar de lijsttrekkers, die zich immers alleen om de korte termijn en eigen politieke gewin bekreunen.

Het alternatief?

Ogenschijnlijk gaat het niet over ideologie maar over uitgangspunten die we delen, maar is dat ook zo?

Wat heeft dit allemaal met de grote stad te maken? Londen groeit en bloeit, Parijs ligt er, althans binnen de ring, schitterend bij. Amsterdam gaat een nieuwe gouden eeuw tegemoet, zoals burgemeester Van der Laan een paar jaar geleden zei. En geen twijfel, de grote stad is progressief. Niet alleen de instellingen, ook de bedrijven. PwC heeft een soort statuut waarin staat dat de werknemers zich inzetten voor diversiteit en klimaat.

ABN Amro maakte laatst reclame in deze krant. Niet met hun bancaire dienstverlening, maar met een vraag aan de klant. 'Komt u op voor de mensenrechten of vecht u voor het klimaat?' IKEA maakt folders met gelukkige gezinnen uit alle windstreken, van alle kleuren en genders die je kunt bedenken. Het is D66-progressief, of Benjamin Barber-progressief. Ogenschijnlijk gaat het niet over ideologie maar over uitgangspunten die we allemaal delen. Dingen die voor zich spreken en waar we het dus niet over hoeven hebben.

Maar is dat ook zo? Het verdwijnen van de ouderwetse ideologisch aangedreven partijpolitiek betekent dat er geen tegenspraak meer is. Dat kenden we van het neoliberalisme. Er Is Geen Alternatief, sprak Thatcher. Het kapitalisme was niet een manier maar dé manier om de economie te organiseren. De kritiek op het neoliberalisme luidde dat hier een ideologie zich vermomde als onvermijdelijk, neutraal en objectief. Intussen weten we beter en is over de objectiviteit van het bruto binnenlands product (bbp) of de onomstotelijke noodzaak van economische groei wel de nodige discussie ontstaan.

Weinigen realiseren zich dat het ogenschijnlijk pragmatische bestuur en de principes van de grootstedelijke instellingen, de andere kant van diezelfde medaille zijn. Op universiteiten spreken ze Engels, aangezien dat nu eenmaal de toekomst is; grootschalige immigratie is onvermijdelijk; als je tegen Europa bent, gaat het licht uit. Er is geen ideologie, zegt Barber. En al die verantwoordingsinstanties zeggen het hem na. Er Is Geen Alternatief.

'Politieke overtuiging speelt bij ons per definitie geen rol', antwoordde Frits Bakker, voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak op de vraag van een journalist. Dat was in de hitte nadat Geert Wilders door de Haagse rechtbank schuldig was bevonden vanwege zijn uitspraak over 'minder, minder Marokkanen'. Bakker kon als onderdeel van de rechtsstaat inderdaad 'per definitie' niet begrijpen dat het vonnis door de buitenwacht als zéér politiek werd gezien. Dezelfde buitenwacht voelt zich gepasseerd en genegeerd: in de stad maken ze mooie sier met mensenrechten of klimaatakkoorden, op het platteland krijgen ze de azc's en de windmolens.

In de stad worden de lakens uitgedeeld. Maar in de binnenlanden zijn ze met meer

Eigenlijk is de tegenstelling al heel oud. Pays légal versus pays réel, zeggen ze in het Frans. In de stad worden de lakens uitgedeeld. Maar in de binnenlanden zijn ze met meer. En daar gromt de ontevredenheid. Je kunt in deze verkiezingscampagne beslist niet zeggen dat ze niet worden gehoord. Alle grieven komen aan bod, van islamkritiek tot doorgeschoten Brusselse regelzucht. En dat vrijwel zonder Wilders.

Ook wordt er uitgebreid gesproken over de kloof en hoe de burger meer te betrekken bij het bestuur. Zal het ergens toe leiden? Dat kan alleen als de instellingen worden getemd en de politiek de teugels weer in handen neemt. De kans daarop is klein maar de behoefte kan niet worden onderschat: aan Trump en de Brexit kun je aflezen welke risico's de kiezer bereid is te nemen. Hoe dat in Nederland ligt, weten we woensdag.

Martin Sommer is politiek commentator van de Volkskrant