Met de nederlaag van de Tamil Tijgers in Sri Lanka is een eind gekomen aan de langstdurende burgeroorlog van Azië. Meer dan een kwart eeuw vochten de rebellen voor een eigen staat. Tevergeefs. Eens hadden ze een kwart van het land in handen, deze dagen moesten ze de laatste vierkante meters prijsgeven.
Voor de militaire overwinning is een hoge prijs betaald: sinds het legeroffensief vorig jaar begon, zijn duizenden burgers omgekomen. Volgens de VN vielen alleen al sinds eind januari meer dan achtduizend doden. De slachtoffers zaten vast in het slinkende gebied dat de Tijgers beheersten.
170 duizend vluchtelingen
De strijdende partijen beschuldigden elkaar, mensenrechtenorganisaties
bevestigden de claims van beide zijden. Het leger hield bij zijn
beschietingen geen rekening met burgers, de rebellen gebruikten de bevolking
als menselijk schild, en schrokken er niet voor terug vluchtelingen onder
vuur te nemen.
Het offensief tegen de Tijgers heeft het land opgezadeld met een omvangrijk vluchtelingenprobleem. In opvangkampen van de regering verblijven al 170 duizend vluchtelingen, en dat aantal zal oplopen nu ook de laatste Tamils het oorlogsgebied zijn ontvlucht. Noodhospitaaltjes worden overstroomd met gewonden.
Het einde van de oorlog, die in 1983 begon met een aanslag op een legerpatrouille, en sindsdien 70 duizend levens eiste, kan met recht een keerpunt in de geschiedenis van Sri Lanka worden genoemd.
Terroristen
Jarenlang zag het er naar uit dat de Sri Lankaanse strijdkrachten weinig
konden uitrichten tegen de Tijgers, die hun macht in het noorden en oosten
wisten te consolideren. Het rebellengebied vertoonde trekken van een
onafhankelijke staat. De Tijgers vestigden eigen rechtbanken en een
politiemacht. Ze beschikten over vliegtuigjes en marineschepen.
Het tij begon te keren toen president Mahinda Rajapaksa in 2005 aan het bewind kwam. Hij verhoogde de defensie-uitgaven drastisch, en werd geholpen door de internationale afkeer van de Tijgers, die in de EU en de VS als terroristen worden beschouwd.
Vooral na de aanslagen van 11 september 2001 kwamen westerse landen in het geweer tegen Tijgeraanhangers die in het buitenland fondsen wierven. De geldstroom voor de rebellen werd afgeknepen, de levering van wapens en andere goederen over zee werd beperkt door gemeenschappelijke patrouilles van de Sri Lankaanse en Indiase marine.
Vrees voor radicalisering
Nu de Tijgers als militaire macht zijn uitgeschakeld, bestaat de vrees dat zij
overgaan tot guerrillatactieken. Zij hebben eerder tal van
(zelfmoord)aanslagen gepleegd in diverse delen van het land.
De wijze waarop de strijdkrachten de Tijgers hebben uitgeschakeld – internationale oproepen tot een staakt-het-vuren werden steevast genegeerd – kan leiden tot radicalisering van de Tamil-gemeenschappen in Sri Lanka en in het buitenland. Ondanks de Westerse maatregelen tegen organisaties die banden hebben met de Tijgers, is er nog steeds een internationaal netwerk van sympathisanten.
Onverzoenlijke stijl
Veel zal afhangen van president Rajapaksa, die eerder beloofde met politieke
hervormingen tegemoet te komen aan wensen van de Tamils. Met toekenning van
een zekere mate van autonomie voor de Tamilbevolking zou hij kunnen proberen
de wortels van het conflict weg te nemen. Maar de onverzoenlijke stijl van
de regering-Rajapaksa, die hard optreedt tegen dissidente geluiden,
voorspelt weinig toegeeflijkheid.
Zo blijft het risico bestaan dat de strijd om erkenning van de rechten van de overwegend hindoeïstische Tamilminderheid opnieuw oplaait. Zij voelen zich immers nog steeds achtergesteld door de meerderheid van boeddhistische Singalezen.