Onheilig
Roos van Rijswijk

Onheilig

Fictie

Subtiele en gewaagde roman over een hechting zo broos als een spinnenweb

Een hondje met een jasje aan, een wuivend park; er is niets spectaculairs aan wat Angelique de Waal (57) ziet vanachter het venster van haar woning in Amsterdam. Gisteren, toen slenterde er een 'uitgeblust straatorkest' voorbij, de muzikanten zeiden niets, het regende in de zomer. Daar kun je nog je gedachten bij hebben, als je net hebt gehoord dat je kanker hebt en nog maar kort te leven. Therapeute Jacoba heeft haar aangeraden een en ander op te schrijven, en dat doet Angelique. Voor wie? Niet voor vrienden, die heeft ze nauwelijks. Haar man is jaren geleden verongelukt. En die zoon van haar, Miguel, heeft ze al ruim twee jaar niet meer gezien. Hij zou ergens in Duitsland wonen. Ze neigt tot de stelling dat haar leven is geëindigd 'toen het te laat was om hem tegen te houden'.

Kalm, weldadig onromantisch, zonder valse hoop en verstoken van de engelachtigheid die je een personage met die voornaam zou toedichten, noteert Angelique wat ze ziet en denkt, nu ze dat nog kan. Haar zus komt langs, kijken of ze kan helpen. 'Ik had nooit gedacht dat ik jou zou overleven, zei ze. Het is nog niet te laat, zei ik.'

Onflatteuze vertelster

Debutante Roos van Rijswijk (1985), die in verschillende bladen verhalen publiceerde en sinds kort redacteur is van het literair tijdschrift Tirade, presenteert zich in haar roman Onheilig als subtiel en gewaagd. Al snel leven we zo mee met de onflatteuze vertelster die voor niemand enige schijn hoeft op te houden, dat we haast verzuimen te letten op de stilistische verfijning die Van Rijswijk tot achteloze hoogstandjes aanzet. 'Mijn zoon, heft ze aan, opdat hij niet vergeet haar zoon te zijn, hoe gaat het daar in Duitsland?'

Want dat is wat er gebeurt: al heeft ze nooit een band gehad met Miguel (34), de zoon van een Mexicaan die haar bezwangerde en er vandoor ging, ze licht hem toch in, per brief. Afwisselend met moeders notities laat Van Rijswijk ook zijn kant van het verhaal zien, in de derde persoon. Miguel zit in Nieheim (de naam lijkt verzonnen, maar het stadje in Noordrijn-Westfalen bestaat echt), droomt vaak over zijn vader die hij nooit heeft gekend, en heeft het prima in zijn zelfgebouwde huis op een berg, met de aangewaaide simpele ziel Jorge (die houdt van de Duitse band Unheilig) als kameraad, en de hond Wodan die al even tevreden in zijn eigen wereld leeft: 'Wodan ligt in zijn mandje te gapen naar de rest van de wereld, die groot is, en vol speelgoed.'

Eigenheimers

De zoon verneemt wat er met zijn moeder loos is. Dat die twee eigenheimers elkaar opbellen en iets afspreken, is uitgesloten. Zonder het te weten voeren de twee een stille choreografie op met verbluffend synchrone figuren: moeder reist af naar Nieheim, zoon reist af naar Amsterdam, en het is te danken aan de nuchtere lyriek van Roos van Rijswijk dat we de corresponderende taferelen niet als sentimentele rijmen opgediend krijgen. Als de auteur al een connectie aanroert, dan op onheilige wijze: 'Het is alsof ze bij hem is, alsof de kou die hij voelt niet alleen door het einde van de zomer wordt veroorzaakt, maar ook door haar aanwezigheid.'

Er wordt niks afgerekend, er vindt geen gevecht plaats. De schrijfster vraagt geen medelijden op afstand, en lijkt zelf geen oordeel te hebben over de stuurse stilte die als een dikke glazen wand tussen moeder en zoon hangt. Of als een natuurverschijnsel. En kan de regen er iets aan doen dat hij nat is?

Let wel, Van Rijswijk is niet gevoelloos, dat bewijzen haar fraaie zinnetjes: Miguel 'denkt aan tevredenheid tot hij tevreden is'. En anders blijkt het wel uit de overeenkomsten die de personages zelf niet kunnen vaststellen: moeder luistert intens naar de regen, terwijl haar zoon intens naar de wolken kijkt. Zulke beelden verlenen deze mooie roman, over een hechting zo broos als een spinnenweb - blaas ertegen en het lost subiet op -, een gedempte tragiek.